Donkerland
Roman   | Schrijver   | Frag. 1   | Frag. 2   | Frag. 3   | Frag. 4   | Links   | Nieuws    
 

Fragment 1
Uit Openingszet, hoofdstuk 1
De protagonist Walter

..............Vooral veel luxe zakenpanden op dat bochtige stuk van de Herengracht daar. Er viel dan ook nergens een wakkere bemoeial te bekennen. En van bemoeien ging je dood, als je even pech had. ‘Zinloos geweld’ heette dat in de kranten. Iedereen mak, lam of bang. Of, en dat kon ook nog, alle mogelijke bemoeials lagen comateus te slapen. Snel, snel, hoppakee, die vervloekte auto klonk veel en veel te dichtbij. Intuïtief had hij voorvoeld er maar een ontsnappingsmogelijkheid was: er gewoon recht op af. Vluchten door middel van de verrassingsaanval. Fiets vliegensvlug omgedraaid, erop gesprongen en over de smalle stoep was ie erlangs geglipt. Wist ie zich ook nog eens beschermd door de zogenaamde Amsterdammertjes, de pakweg driekwart meter hoge metalen paaltjes die wildparkeren moesten tegengaan. Zo had hij kunnen wegkomen, en dat ook maar net: de deur aan de passagierskant werd opengegooid en had zijn trapper geschampt. Een voet werd razendsnel ingetrokken, een corrigerend rukje aan het fietsstuur. Een fractie van een seconde hadden ze oogcontact gehad. Direct daarop het kenmerkende geluid van een auto die hard achteruit reed. Negeren, alleen vooruitzien... Gewoon stampen, doorstampen.

Een hele luide, metalige knal explodeerde, en dat zowat pal achter hem; hoogstwaarschijnlijk die opengegooide deur. Een en al adrenaline, de wild malende benen lijken wel te exploderen van kracht. Tjsak, daar dat steegje in, stukje volgende gracht, dat loopbrugje over, dan weer links dan rechts en dan rechtdoor. Door die wirwar van grachten en steegjes was hij zo foetsie. Het was een geluk, wat nou geluk, een reuzenmazzel zeg maar, bedacht hij, dat die knakker in de bewakingsauto alleen was geweest. En al helemaal dat het geen politieauto was. Of twee daarvan bijvoorbeeld, of drie. Hoe die verdomde joker naar hem gekeken had was erg grappig geweest. Een klein lachje ontsnapt hem. Jawel, een sub-modale knuppel, rattenkop met hondenkapsel, had hem met het bijbehorende sub-modale IQ aangestaard. Een soort van pseudo-diploma was al ruimschoots voldoende om bij die particuliere bewakingsfirma’s aan de slag te kunnen: het autorijbewijs.

En nog steeds hoort hij niets van de officiële publieke ordehandhavers. Nee, geen politiesirenes, ook geen van de brandweer zelfs. Nee...of jawel toch... erg vaag én in de verte... Door de dubbele ruis van de fikse wind en het razende hart heen bemerkt hij de drietonige sirenes van de brandweer. Mooi, vond hij, heel erg mooi zelfs. Een onversneden gevoel van euforie stroomt door zijn lijf. Een gevoel gereserveerd voor winnaars. Hij wist het bezwete voorhoofd snel even droog met een mouw. Dat had ie beter kunnen laten zitten. Door het wegvegen was de koude wind een klap in het gezicht. Dadelijk koppijn waarschijnlijk, sufferd dat je er een bent, moppert hij wat op zichzelf. Of erger, ziek, verkouden, griep zelfs… Maar alle rondloeiende adrenaline, met daarbij een cocktail van allerlei andere stresshormonen, maakt hem onaantastbaar. Niet meer kiezen, of nee, niet meer twijfelen tussen vluchten of vechten. Vluchten én vechten kón dus tegelijkertijd. Nu pas waagt hij het om vaart te verminderen. Nee, nergens valt ook maar enig gevaar te bespeuren. Geen zwaailichten, sirenes of accelererende auto’s die hem ineens in het vizier hadden gekregen. Een rustige doordeweekse winternacht leek het. Een paar groepjes dronken studenten, en wat clubjes geile Aziatische toeristen, dat was het wel. In hartje Centrum was ie aanbeland. En daar is de Dam al, met dat vreemde, als in mist verlichte oorlogsmonument. Links van hem een van de Koninklijke Paleizen, recentelijk geheel gerestaureerd en gedeeltelijk opengesteld voor publiek. De Dam zelf, het feitelijke plein ervoor, de koninklijke stoep zogezegd, had een geheel vernieuwd plaveisel gekregen. Het zag er allemaal, wat minder bij daglicht maar dubbel en dwars bij kunstlicht behoorlijk pittoresk én authentiek uit. Voor Nederlandse begrippen zag het er zowaar groots, ja, bijna buitenlands uit. Maar dat was niet zo moeilijk, er groots uitzien in Nederland. Zij mét geld wilden dat niet al te opzichtig aan de anderen laten zien. Al helemaal niet omdat ze eeuwenlang zuinigheid hadden laten prediken.

 

 

Copyright © Victor Crebolder. Alle rechten voorbehouden.