|
Fragment 2
Uit Neus speurt, hoofdstuk 6
Zedenrechercheur Liisa
..............Beiden
hadden erg vroeg aan de schuin tegenover elkaar geplaatste
bureaus gezeten. Zo vroeg dat de ellendige files zich
nog niet aaneen geregen hadden tot de eindeloze blikken
rijen stilstand, en daar hadden ze alletwee meer dan
zomaar een hekel aan. Liisa verafschuwde het vroege
opstaan, maar die vervloekte files nog net ietsjes
meer. Intens bestudeert ze de zwijgende Breed en voelt
iets triests, iets afwerends in de lichtelijk uitgeputte
gezichtsuitdrukking. Ze kende hem nog niet lang genoeg
om uit dat interessante oergezicht de juiste conclusie
te kunnen trekken, maar iets leek er niet helemaal
in orde. Of lag dit nou aan haar koppige gevraag over
die oude belastingsrechtszaak? Hij was die ochtend,
met de Telegraaf halfopen op tafel, uit zichzelf begonnen
over ene Robert en het vannacht door Molotovs afgebrande
kantoor van Holla en Pruijn. Breed was ruim een half
uur zo’n beetje non-stop aan het woord geweest, om
daarna stil te vallen. Stil met het bijpassende gezicht
van een doodsmasker. Putter, bijnaam Breed, was een
beul van een vent om te zien, een gevoelige beul.
Er zaten twee goede ogen in die kop, maar de rest
ervan leek op grauw graniet. De lijnen erin waren
scherp gevouwen, de oppervlakte als gezandstraald.
En toch, al waren haar eerste maanden op het bureau Zeden/Jeugd een grote shock geweest, toch voelt ze zich er min of meer thuis. En ook is die soms ondoordringbare collega daar haar maatje. Haar maat, om precies te zijn. Hier kon je echt iets betekenen, hier werd zwaar politiewerk verricht én hier werden op zijn tijd zwaar bevochten overwinningen geboekt. Zo te horen én zo te zien dus niet altijd. Ze begreep, terugkijkend op haar carrière, amper meer waarom ze ooit op dat Gerechtelijk Lab begonnen was na haar studie geneeskunde. Was het uit idealisme, of toch eerder het onvermogen om in levend weefsel te snijden... Die angstige blikken van patiënten die ze zo graag vermeed... De doden, ze hadden een paar enorme voordelen. Zij protesteerden niet, nooit én nergens tegen. De doden waren vooral ook monddood. Ach, typisch weer gepeins in de rondte. Uiteindelijk had ze in ieder geval genoeg dode slachtoffers en dode pechvogels gezien. Precies zeven jaar had haar baan daar geduurd: de spreekwoordelijke zeven vette jaren. Die hadden stamp- en stampvol doden gezeten. Dit Amsterdam zelf was precies in die jaren met stip, met superstip op een wat andersoortige hitparade
gestegen.
Er
werden heel wat ‘hit and run murders‘ gepleegd in
deze geweldige, bruisende handelsstad. Deze stad,
zij kon je, hap slik weg, met huid en haar opvreten.
Ja, tijdens haar lunchpauzes op de bovenste verdieping
had ze meer dan eens de vorm van een haaienmuil in
die onder haar voeten liggende waterstad menen te
zien. Deze stad was er een met vele realiteiten, en
al haar zwartbruine of bruingroene water was een toeristenval
voor velen. Sommigen werden, drijfnat nog, bij het
Lab afgeleverd. Binnen amper twee maanden was ze cumulatief
met steeds grotere tegenzin naar dat Lab gereden.
Tot ze na weer een te lange werkdag met weer teveel
onvrijwillige doden een besluit nam. Een piekdag,
wel acht dode slachtoffers waren er binnen gekomen.
Het was genoeg geweest, nu! Zonet nog in de koelcellen,
niet veel later bijna obsceen geopend op haar obductietafels.
Glashelder overtuigd dat ze precies 180 graden op
de verkeerde plek zat. Nee, vanaf ‘nu’ wilde ze de
misdadiger leren snappen. Ze wilde, o wat een heerlijk
Oudhollands woord, het geboefte, op zijn Vlaams nu,
attraperen, om ze, op zijn Mokums, daarna de bajes
in te kunnen jagen. Kortom, het echte recherchewerk
wou ze gaan doen. Maar dat recherchewerk zou ze alleen
willen gaan doen bij het ondergeschoven kindje binnen
de recherche: bij Zeden/Jeugd. Dat
verhelderende ritje terug naar huis was ruim drie
jaar geleden. Wat ze in die tijd allemaal gezien had
was meer dan genoeg om tot een nogal ontnuchterende
conclusie te komen. In het strafrecht kon je de ene
beerput alleen voor een andere verruilen.
|