|
Fragment 4
Uit Knuffelkonijntjes, hoofdstuk 16
Breed oftewel Putter, zedenrechercheur
..............Met
almaar toenemende verbazing leest Breed de brief.
Na een herlezing begint Breed zoetzuur te glimlachen.
Pyromaantje blijkt een Don Quichotte, wát,
een complete mafketel zeg maar. Laat hij na vijfentwintig
jaar Zeden nou ook onder die categorie te vallen.
De dingen die je er te zien kreeg, ze waren erger
dan erg. Onder én zonder die kleren was de
mens, en vooral de mannelijke mens, maar wat vaak
een wild dier. Een op seks belust roofdier, een waanzinnig
geil monster. Alleen wist niemand vooraf wie nou het
monster later was. Je had ze van alle soorten en maten,
van alle standen en rangen. Als het veelkoppige monster
iets was dan juist véélkoppig. Het was
in ieder geval niet die ene simpele ziel die zijn
doorgedraaide hormonen maar niet onder controle kon
krijgen. Zelden was het de stereotypische randdebiel
die kwijlde, loenste, gromde desnoods. Al even zeldzaam
was het een simpel figuur die zich na een spontane
impuls aan het jonge dan wel ultrajonge grut vergreep.
Het
lag allemaal beduidend gecompliceerder. Er zaten dominees
tussen, en leraren. Ambassadeurs, popsterren. Acteurs,
dokters. Politieagenten ook, en rechters, ambassadeurs,
ministers. Ongetwijfeld, het refrein van een oude
reclameslogan komt naar boven, ongetwijfeld zaten
er ook een stuk of wat koningen, keizers en admiraals
tussen. En de onweerlegbare logica van de ijsberg
en datgene wat zich onder het zichtbare topje bevond:
er moesten ontelbare lieden zijn die er alleen maar
over fantaseerden. Of, een stapje verder, lui die
dat abjecte spul downloaden. Het kon je man zijn,
of je collega. Je vader, je oom, je studiegenoot,
je buurman. De mogelijke dader kon écht iedereen
zijn. En een onbewust gedeelte kon ’s nachts,
in het abstracte privé-domein filmpjes afdraaien
die er niet om logen.Of het geweten daarbinnen op
orkaankracht “nee!! nee!!” brulde, van
sommige dingen die ze onder ogen kregen was hem gebleken
dat het onding daar beneden er een geheel eigen leven
op nahield. Deed gewoon zijn eigen zin, zonder enig
nader overleg. Geen wonder dat bij de onttakeling
van wereldwijd opererende netwerken stuitend veel
collega’s in klantenbestanden werden aangetroffen.
En
juist daarover droomde hij de laatste tijd. De beginscènes
begonnen als altijd met iets feeërieks. Een bloemenweide,
een beekje, het gouden zonlicht. Daarop volgde wat
lichte erotiek: een glinsterend waternimfje duikelde
tevoorschijn. Een wonder van schoonheid. Een vrouwelijk
wezentje vol puurheid, vol vreugde. Dan bekeek Breed
het nimfje eens goed en verkreeg het de vorm, daarna
het lichaam van zijn jongste dochtertje. Daarop ging
de droom ervandoor, werd irreële waanzin en ontaardde
in de totale walgelijkheid die hijzelf bestreed. Maar,
dat was het allerergste, deze schrikbarende nachtmerries
hadden de neiging zich almaar uit te breiden. Zowel
de frequentie als de intensiteit namen toe. Ja, het
werd de allerhoogste tijd voor weer een gesprekje
met de bedrijfspsycholoog.Lezing van deze Brandbrief
leek nu al een meetbaarder uitwerking op hem te hebben
dan een hoop blablasessies op een sofa. Breed voelt
zich lichter sinds tijden, alsof er een zware last
leek te zijn verdwenen. Vooral dat laatste zinnetje
kan hem bekoren. Die Brandbriefschrijver wilde zijn
prooien éérst martelen, om ze daarna
te vermoorden. Hij wensdroomde dat al zo lang: gewoon
een van die kindermaniakken maniakaal toe te mogen
takelen.
Na
een allerlaatste lezing schakelt hij de computer uit,
en daarna het licht. In het schemerdonker laat hij
zich in de brede driezitsbank vallen. Het grote huis
is helemaal leeg: gescheiden, beide kinderen aan vrouwlief
toegewezen. Alweer vijf, of nee, ruim zes jaar geleden.
Beroepsrisico numero één bij de ‘pet
die ons allemaal past’. Nou en of, zo’n
lelijke rotpet paste heus wel, maar een gezin erbij
maar zelden! Nu bivakkeerde hij in een grotendeels
leeg, halfdood huis. Zelfs de allertaaiste planten
waren een voor een aan het sterven. Ook stond er weer
een te snijden schrale, muffe rooklucht. De vloeren
en ramen waren goor, het toilet en de badkamer smerig.
Het was een grof schandaal. Of nee, hijzélf
was het schandaal. Breed moest zichzelf snel tot de
orde zien te roepen. Zo rookte hij tien jaar niet
meer, en dan, net zo vrolijk, weer de ene na de andere.
Het is dat de werkplekken rookvrij geworden waren,
anders zat hij weer aan twee pakjes per dag. Gadverdamme,
vervloekt hij zijn zwaktes, wat een lamzak was hij
toch.
|