Donkerland
Roman   | Schrijver   | Frag. 1   | Frag. 2   | Frag. 3   | Frag. 4   | Links   | Nieuws    
 

Online winkel

 

Internet, het walhalla van de boekenverkoper. De hemel voor de boekenkoper. En, als Google over 1.000 jaar nog bestaat, een heuse goudmijn voor studenten literaire wetenschappen.

Het hoofdportaal heet dan ook www.books.google.com, u weet wel! De roman Donkerland ( de oude 2007-uitgave) is er dan ook zo te vinden.

Maar dat leest alleen zo lastig; de roman is te te koop op ondervermelde sites:

www.bruna.nl
www.bol.com

www.ako.nl

Verder kunt u de roman (2de herziene druk, 2008) bestellen bij Gopher. Dit is de uitgever die i.s.m. Bruna het 'Geef Je Eigen Boek Uit' op poten heeft gezet.

Niet alleen Albert Camus is zijn schrijverscarrière in eigen beheer begonnen...

 

 

Mise-en-Seine

 

Hoofdstuk 0 3 Bij leven en welzijn
Hoofdstuk 1 7 Tewaterlating
Hoofdstuk 2 12 Pompen of verzuipen
Hoofdstuk 3 19 Tayeb Saidi-Sief
Hoofdstuk 4 27 Pandora’s box
Hoofdstuk 5 34 Ferhat Abbas
Hoofdstuk 6 40 Mijn wil is wet…
Hoofdstuk 7 46 Khadija, Alliyah, Husni...
Hoofdstuk 8 53 Een huilkwartet
Hoofdstuk 9 60 Het Roelantslied
Hoofdstuk 10 68 …én Henri Alleg
Hoofdstuk 11 77 De buit onderling verdelen
Hoofdstuk 12 86 Jeanson's netwerk
Hoofdstuk 13 94 Is alles mektoub?
Hoofdstuk 14 103 Iels en Wahourt
Hoofdstuk 15 111 Abraham Louis Breguet
Hoofdstuk 16 119 Saadi en Zohra
Hoofdstuk 17 128 De geur van de roos
Hoofdstuk 18 135 Oh la la!
Hoofdstuk 19 143 l'Atlantique
Hoofdstuk 0: Bij leven en welzijn


Ook in levende lijve had ik de kleine, pijprokende heer een wonder-baarlijke figuur om te zien gevonden. Zijn gezicht was even lelijk als op de vele foto's waarop hij afgebeeld stond. Het werd ontsierd door strakke, doch vlezige lippen en een door nicotine verkleurd, ongelijk gebit. Vanachter een hoornen bril tuurden bolle, scheel kijkende ogen hongerig, ja, gulzig en brutaal de danszaal in. Daarbij kwam nog een bleke pafferigheid. Juist dit weinig flatteuze personage leek vol magnetisme te zitten. Zelden heb ik een energieker, boeiender en daardoor weer mooier persoon ontmoet, een man die in staat leek om vanachter dikke brillenglazen energiegolven door een ruimte te stralen. Dé schrijver, dé activist, dé verzetsheld én de onvermoeibare strijder voor de goede zaak. De vrouw naast hem was in alles het tegenover-gestelde, en dat zowel qua uitstraling als verschijning: een statige dame, lang, slank én, dat in het voorjaar, aardig gebruind. Haar gracieuze handgebaren oogden charmant én hartstochtelijk, aan het gezicht zelf viel duidelijk af te lezen dat zij vroeger een schoonheid geweest moest zijn. Het bonte gezelschap aan tafel hing dan ook aan hun lippen.
Bijna iedereen hierbinnen kende deze levende iconen: Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir waren literaire afgoden. Behalve zijn bijdragen voor het ondergrondse tijdschrift Combat, Strijd, ontstaan tijdens WOII, stond Sartre hoog aangeschreven binnen het het CNE, het Nationale Schrijvers Comité. Zowel de man als het comité zouden perfect als bliksemafleider voor het FLN, het Front de Libération Nationale kunnen dienen: een door hen onderschreven petitie, beter nog, een door henzelf geschreven petitie in de kranten kon veel voor ons betekenen. Via via had ik de opdracht gekregen me vooral op de beroemde man te richten. Trouwens, ook De Beauvoir bezat zo haar waarde omdat zij zich eerder achter het internationale pacifisme had geschaard. Verder had zij met haar boeken bewezen totaal anders te kunnen denken.
Wetende dat beiden een van de beroemdste dansgelegenheden van de lichtstad frequenteerden hoopte ik hen daar te ontmoeten: het was een kwestie van geduld opdat zij Le Bal Nègre zouden bezoeken. Hoewel er in openbare gelegenheden als Café de Flore meer kans was hen te ontmoeten voelde ik me daar te bloot, te zichtbaar, te Algerijn kortom. Deze heerlijke plek geleek een oase; hierbinnen nergens vreemde blikken vanwege huidskleur, nergens gesis noch ander-soortige beledigingen. Jazz en dans hadden het racisme er tot vandaag aan toe tot zwijgen weten te brengen; het was alweer ruim 30 jaar geleden sinds de sensatie negerin met de naam Josephine Baker hier op de planken stond te dansen. Met mijn ogen strak op de twee schrijvers gericht was ik via een omweg op het roemruchte, lachende duo toe geschuifeld, hopende op een zoete inval…
Hoewel de Russische bezetting van Hongarije van ’56 onze strijd een tijd lang naar de achtergrond had gedrukt leek het of de recente verheviging van de Algerijnse oorlog Parijs met militaire uniformen had gevuld. De hoofdstedelijke politie onder het gezag van prefect Maurice Papon ging zeer hardhandig met Arabieren om, of zij nu uit Algerije dan wel uit onze buurlanden afkomstig waren, ja, zelfs donker getinte Italianen en Spanjaarden waren niet meer veilig op straat. In het tijdschrift Les Temps modernes, Moderne Tijden, een reeds in ’45 door de kleine man en zijn muze opgerichte spreekbuis, verschenen meer en meer artikelen waaruit bleek hoe barbaars er door zowel het leger als de politie gemarteld werd. In dat licht bezien was het puur geluk dat zij me niet eerder gemaltraiteerd hadden.
Behalve de verregaande verruwing van de strijd kwam het recht op studiebeurzen voor studenten van Frans-Algerijnse afkomst op losse schroeven te staan. Simplistisch gesteld bestond mijn studie politieke wetenschappen, vandaar de afkorting van het instituut Sciences Po, erin mijzelf levend te begraven in interessant, zij het vaak wat ouder papier. De realiteit van de dag echter wees uit dat wij allen uit vlees en bloed bestonden. Over en weer vielen slachtoffers te betreuren, en dat sinds '54. Pas door het definitieve verlies van onze studiebeurzen werd ik ruw uit mijn lethargie gewekt, om me eind '59, na eerdere avances te hebben afgewimpeld, als actief lid bij het FLN aan te melden.
Bij hun met glazen en asbakken afgeladen tafel aangekomen leek het ongepast om een van de twee zomaar op een schouder te kloppen. Als een dom schaap stond ik ze aan te staren. Gelukkig werd ik welwillend aangekeken. Ongemakkelijk stak ik van wal: 'Madame, mon…mon... monsieur, excusez moi. Mag ik me even aan u voorstellen?' Een blik op hen voldeed om snel te vervolgen: 'Mijn naam is Abdel Ozouf en ik ben een student aan Sciences Po. Wij zijn op zoek naar mannen, eh, naar mannen én vrouwen van eer, en ik geloof, het werk van u beiden kennende, die tegenover mij te zien!'
Na dit onhandige compliment beproeft te hebben begon het stel te glimlachen. Direct daarop nam Jean Paul het woord: 'Mijn beste Abdel, ik hoef amper te raden uit welke kolonie u afkomstig bent. Ik durf er wat moois onder te verwedden dat uw mooie land precies tussen onze voormalige koloniën Marokko en Tunesië ingeklemd ligt. Heb ik gelijk of heb ik gelijk!'
Als jongeman van 24 had ik staan blozen als een op kattenkwaad betrapt rotjoch. Dit scheen hen amper op te vallen, en mevrouw De Beauvoir wilde graag weten waar ik vandaan kwam: 'Wij tweetjes zijn volbloed Parijzenaars. Waar ben jij geboren, Abdel?'
'Ik kom oorspronkelijk uit een dorpje nabij Constan…', begon ik haar vraag te beantwoorden, om zonder de rest te kunnen afwachten door Sartre te worden aangevuld: 'Nabij Constantine, de stad met een grote universiteit, gelegen in de gelijknamige provincie. Van Algerije! Dus! Student aan Sciences Po, toe maar! Om daar te worden toegelaten dient men een genie te zijn… U lijkt een van de uitverkorenen, of zien wij dat verkeerd? Laten wij hopen dat deze regering niet alleen maar op de korte termijn blijft doordenken.'
In verlegenheid gebracht schudde ik mijn hoofd, terwijl een zin ten faveure van Sartre uitgesproken door generaal De Gaulle zich aan me opdrong: 'Een Voltaire zet je niet in de gevangenis.' Amper uitgedacht kreeg ík een stevige schouderklop te verduren, om vervolgens bij hen aan tafel genood te worden. Zodra ik bij hen aangeschoven zat zag ik ze de volle dansvloer opnemen, waarop zich een horde feestvierende mensen afkomstig vanuit alle hoeken van de aarde bevond. Gezichten, benen en armen, van lelieblank tot gitzwart. Ook de muziek en het gelach drongen weer tot me door. Oorlog, wélke oorlog, waar dan, vroeg ik me verbluft af. Hoe vereerd ik me tussen het duo gezeten verder ook gevoeld had, nu bezie ik alles vanuit een ander perspectief. Om te beginnen zie ik helemaal niets meer.

Hoofdstuk 1: Tewaterlating


Er ligt een lijk in de rivier, en dat lijk ben ik. Vreemd dat al dit herfst-koude water nu al warmer aanvoelt dan mijn razendsnel afkoelende lichaamstemperatuur. Ook schijn ik stukken lichter te zijn dan zojuist, eerder op de kade, net nadat beide benen onder me vandaan geschoten waren. Nooit geweten dat die kleine metalen ondingen zoveel gewicht met zich mee brachten. Het vreemdste van alles is dat me alle tijd ter beschikking lijkt te staan om na te denken.
Wat zouden de Franken bijvoorbeeld in dat aloude Roelantslied met ‘la douce France’, het heerlijke Frankrijk, bedoeld hebben? Het waren ongetwijfeld kogels van eigen makelij die mijn huid hadden doorboord, om daarna onderliggende spierweefsels en botten te ruïneren. Toch doen deze omschrijvingen de pijn te kort. Die horror verdween pas toen het Seine-water mijn longen had gevuld; onder de waterlijn valt er niets weg te hoesten. Puur instinctief was ik naar levensruimte blijven happen, maar het enige wat me te deel viel was meer duizeligheid. Niet veel later sloot zich het laatste licht, wat vanwege de ingevallen avond toch al schaars was. Al snel werd het verstrooide, gelige licht van de lantaarns op de brug uitgedoofd.
Alles is zwart, en nog steeds valt er geen maagd te ontwaren. Zouden ze allemaal gelogen hebben dan? Onze eigen religieuze leiders én die van hier, die van de anderen. Was ik soms vergeten waar ik me bevond dan? Zonder de mij toegezegde maagden zou ik logischerwijze daar zijn aanbeland waarmee zíj hún ongelovigen terroriseerden. Maar nee, nergens dat blakerende hellevuur wat mijn drijfnatte lichaam zou doen smelten. Integendeel, een massieve kou lijkt al mijn ledematen te bevriezen. Soms maak ik contact met de rivierbodem, dan weer strijk ik langs substanties die uit vergane plantenresten lijken te bestaan. Dat ik wellicht merde, stront, aanraak maakt me misselijk.
Maar dit kon Wolfgang Goethe nooit met 'Jedem das Seine' bedoeld hebben is een tweede, nog cynischer gedachte die zich opdringt. Deze slagzin behoorde evenzeer tot het curriculum van het lycee, het lyceum waar ik als tienjarig jochie was toegelaten. Het Frans-koloniale bestuur was niet op haar achterhoofd gevallen: aan de slimmeriken onder de overwonnenen vergunden zij een hogere opleiding. Behalve een flink aantal politieke werken van vooral Franse signatuur hadden we er met Machiavelli, Locke, Gracián en Von Clausewitz kennis mogen maken; nu had ik zelfs waterdicht bewijs ondervonden dat Carl’s oude oorlogsadagium nog altijd opgeld deed.
Nadat mijn studiebeurs aan Sciences Po, dé plek om het politieke métier, het politieke vak te studeren definitief was komen te vervallen had ik ons, dat willen zeggen ik mezelf en mijn vrouw en onze tweeling d’outre mer met een fabrieksbaan bij Citroën onderhouden. Ik durf nog even niet aan mijn gezinnetje daar te denken, uit zelfbehoud, moet je mij horen, uit zelfbehoud denk ik terug aan de barrage van industriële herrie daar. Al snel was me duidelijk geworden dat alle hoogdravende Droits des Hommes nergens geldingskracht bezaten: ook hier werden arbeiders als vee behandeld, en daarvan waren wij Noord-Afrikanen het minst waardevolle. De gevaarlijkste werkplekken werden door ons bemand, er stonden bijna alleen maar Marokkanen, Tunesiërs en vooral veel landgenoten bij de las-, stans-, frees- en walsmachines.
Hoe vaak handen én voeten niet aan de metalen schaafsels en het linke materieel van de autofabriek werden opengehaald! Wij mochten al blij zijn als er vaseline voorhanden was; meestal smeerden wij onze verwondingen dicht met machinevet. Toch beviel de atmosfeer me daar stukken beter dan die bij mijn eerste werkgever, Michélin. De allesoverheersende stank van verbrand rubber maakte dat ik mijn lunch maar niet kon binnenhouden. Na een maand flink interen op mijn lichaamsvet hadden zowel leven en welzijn van mijzelf als dat van mijn gezin voorrang geëist op een ietsjes beter gevulde portemonnee.
Klootzakken, allemaal! Wég, wég met die heerlijke croissants, mooie stadsparken en prachtige promenades. Wég met die Eiffeltoren, dat Louvre en de Sciences Po. Plotseling verschijnt het poppengezicht van Brigitte Bardot voor mijn geestesoog zoals ze in de film ‘Et Dieu créa la femme’ te zien was. Dan vlamt mijn woede weer op: wát viel ons Algerijnen eigenlijk te verwijten? Wij wilden ons eigen land én onze eigen waardigheid terug. Met hoevelen wij die dag gedemonstreerd hadden wist ik niet precies, wél dat het er duizenden geweest moeten zijn. Enige tienduizenden, wellicht. Dus hadden we de avondklok die Minister van Binnenlandse Zaken Roger Frey eerder die maand had ingesteld overtreden! Maar dan, hadden wij die avondklok niet eerder overtreden?
Zou Frey de drijvende kracht achter het drama van deze 17de oktober geweest zijn? Ikzelf geloof er niet in. Hoewel de facto de baas van de Parijse politieprefect Maurice Papon lijkt die laatste de kwade genius te zijn van dit tot in de puntjes georchestreerde staatsgeweld. Juist deze man had me een tijd aan de zijlijn van onze strijd weten te houden. Niet alleen wilde ik mijn studie graag met schone handen afronden, ook de angst wat hij eerder in Algerije had uitgespookt, de angst over wat hij zijn politiemensen hier in Parijs had toegezegd had weerhielden me tot voor kort om actief strijd te leveren
Als gymnasiast had ik geleerd wat de antieke stad Carthago welke in ons buurland Tunesië gelegen had overkomen was. De waarheid lag verscholen achter de aloude kreet “Cartago delenda est” van senator Cato de Oudere. Dat Hannibal zelf al diep in het stof gebeten had was de Romeinen niet genoeg geweest: een halve eeuw later werd de grote havenstad alsnog vernietigd. Zo had Cato's volhardende houding in de Romeinse Senaat toch iets van een voorspelling gekregen, nu hij al zijn spreekbeurten met het omineuze “Overigens ben ik van mening dat de stad Carthago vernietigd moet worden.” besloten had. Ja, Europa kon een volhardende vijand zijn, wat onze eigen vooruitzichten zo slecht maakte.
Ineens lijkt het erop of mijn lijf tot voedsel is verworden. Zou dat een échte ratton, een echte rat zijn? Als ik niet dood was zou het venijn waarmee het wezentje in een bovenbeen aan het wroeten is me zeker pijn doen. Ja, dit brutale diertje lust wel wat aangeschoten wild. Verdwaald in de verlorenheid schijnt alles mij hopeloos toe. Hoe moest mijn arme Aïsja zichzelf én onze jongens Nourdinne en Achmed onderhouden? Hopelijk konden zij zich voegen bij de rest van een grotendeels failliet geraakte familie. Als in twijfel ondergedompeld ga ik bij mezelf te rade. Was ik geen Godvruchtig man geweest? Volgens mij was ik een moslim die beleed wat anderen minder beleden, zo niet in zijn geheel vermeden. Vanwege de zoektocht naar medestanders, zoals naar Sartre en De Beauvoir heb ik het zakaat, de steun aan behoeftigen regelmatig met voeten getreden; Le Bal Nègre behoorde nu eenmaal niet tot de goedkoopste uitgaansgelegenheden. Verder heb ik me in weekenden wel eens aan de alcohol gelaafd. Dat zelfs Mekka gaandeweg minder tot vijfdaags richtpunt werd heeft me nog het meeste bezwaard. Hier, in de dood, hier beneden, hier voel ik me onzekerder over Uw bestaan dan toen ik nog in leven was.
Wat bestaat is Frankrijk, wat bestaat is Europa. En wat óók bestaat is deze rivier, deze rivier waarin warmer aandoende stromingen de kou eventjes van me wegnemen. Wat óók bestaat zijn trillingen! Trillingen van een aak…van een vrachtboot... Dan tolt mijn lichaam herhaaldelijk om zijn as, het moment waarop het diertje besluit om de maaltijd te laten voor wat het is. De scheepsschroef stuwt mij verder naar de oppervlakte.
Onder water valt weinig te beluisteren, maar nu hoor ik toch echt het zware stampen van een dieselmotor! Daarop ontwar ik een tweetal, nee, een drietal opgewonden stemmen. Als in een koor zijn ze aan het schreeuwen: 'Een ratton, of nee, twee ratten, kom op, snel, snéller!', 'Hé, leg die boot nou eens stil, schiet nou toch op!, 'Kom op, conard, klojo, haal binnen die buit!' en 'Oeps, mis, putain, hoer!', 'Vite, snel, pakken we die andere daar. Merde, schijt!' Inderdaad, mis, want mijn lichaam glipt uit wat me een veel te klein schepnet toeschijnt, om daarna door de razende schoepen de diepte in te worden gejaagd.
Het raadsel van de dood wordt almaar groter. Aan de oppervlakte zojuist heerste niets dan intens diepe zwartheid, wat twee dingen kon betekenen: ofwel konden die vervloekte rattenvangers in het donker zien ofwel was ik stekeblind. Toch is zojuist gebleken dat mijn oren wél functioneren, ja, en aan de toenemende druk in mijn oren valt te concluderen dat ik steeds verder de diepte in verdwijn. De immense pijn van op de brug is verdwenen, maar wél voel ik een vervloekte kou. Als ik niet echt zeker wist dat mijn leventje gedaan was zou ik er behoorlijk bang van worden.
Gelukkig is alles nog zo nieuw voor me dat de rol van observator me enigszins geruststelt. Het probleem 'Allah' besluit ik even te laten voor wat het is; zodra Hij zich kenbaar maakt heb ik me maar te schikken naar Zijn Oordeel. Gelaten overdenk ik wat Sartre ten tijde van zijn krijgsgevangenschap in WOII geschreven had. Daarin voelde hij zich gereduceerd tot een “verschrikkelijke onschuld, tot het ontbreken van verantwoordelijkheid. Wij zijn niet verantwoordelijk voor ons verblijf hier; wij zijn hier omdat we er niet uit kunnen. Wat een rust voor onze geest!” Wel, als ik mezelf hier als gevangene beschouwde klopte die eerste bewering, maar die tweede amper.
Hoofdstuk 2: Pompen of verzuipen

Over de schaal van het gebeurde tijdens de demonstratie valt weinig te zeggen. Een bloedbad in het centrum van de Lichtstad, wie had dat ooit kunnen voorstellen? Niet dat deze verschrikkelijke feiten het daglicht ooit zouden aanschouwen. Dé man voor deze klus zou wel eens een en dezelfde zijn als de man die eerder een hoop Joden op weg naar de vernietigingskampen van de Nazi's had geholpen. Het was niet minder onheilspellend dat deze collaborateur, oud-student aan Sciences Po maar liefst, zijn politieke carrière voorspoedig had kunnen vervolgen. Papon, Papon, Papon, de man die ik nog nooit gezien had speelde een belangrijke rol in mijn leven, en in mijn dood.
Er viel bijvoorbeeld amper iets te rijmen aan het ronduit groteske geweld van de 17de oktober ‘61 wat ons ten deel was gevallen. De FLN zat al maanden met de Franse regering aan de onderhandelingstafel, met maar één mogelijke uitkomst: Algerije zou de vele voorgangers die al kolonie-af waren binnenkort volgen. Wat François Mitterand, de voormalige minister van binnenlandse zaken, ons toegezegd had klopte helemaal, maar over de eventuele uitkomst van die voorspelling had hij zich niet uitgelaten... Of was het onrijmbare van dat geweld zo onrijmbaar nog niet? Als eerste diende Parijs, hart én schatkamer van het land, voor alles bewaart te blijven. Was deze ramp de opmaat voor een laatste grote zuiveringsactie en wenste Frankrijk ons zo alvast de eindafrekening presenteren? Natuurlijk, ook wij waren allang geen lieverdjes meer; een van de grootste smetten betrof de guerre des cafes, de café-oorlogen die hier werden uitgevochten maar puur en alleen een interne Algerijnse machtsstrijd tussen twee rivalen betrof. Dat alles mocht evenwel geen vrijbrief zijn om een demonstratie in een bloedbad te laten ontaarden.
Na eerder die dag door enige honderden politiemensen, gendarmerie en speciale oproerpolitie te zijn gevolgd kwamen wij pas tussen Place de la République en l'Opéra klem te zitten. Daarop hadden wij ons schielijk teruggetrokken. Dat was vreemd, omdat wij tot aan Place de la République vrijwel ongestoord waren gebleven, hoewel ik niet weet of dit een juiste voorstelling van zaken is omdat wij vooraan niet wisten wat er achteraan allemaal plaatsvond.
Hoe het ook zij, tijdens de terugtocht, vlakbij bij Cinema Rex, was het schieten begonnen. Daarop brak een totale chaos uit, vanuit alle kelen weerklonk panisch geschreeuw, iedere demonstrant had zichzelf prooi geweten. De langs suizende dan wel afketsende kogels, het gehamer van mitrailleurs, het ijlings vertrappen van, stampen op, klauteren over eerder gevallenen. Toen was ik aan de beurt: een eerste kogel door mijn kuit, direct daarna volgde een onbekend aantal door beide bovenbenen. Vallen, neerstorten, om niet meer op te staan. Verbaasd over de loden zwaarheid van de stalen kogels, verdwaasd wachten op meer pijn.
Dat gewicht en de pijn zijn verdwenen. Ik ben dood, ja, zo dood als een meerdere malen beschoten, over de reling van een Seine-brug gesmeten en daardoor uiteindelijk verdronken demonstrant in Parijs maar zijn kan. En weer zie ik ze aan weerskanten de Pont Saint-Michel op komen draven. Blauwe, bijna zwarte schimmen. Tientallen zo niet honderden gelaarsde hakken, behoefde roofdieren, vlakbij hun gewonde en uitgeputte prooien. De herrie van de met van ijzerbeslag voorziene laarzen verzwakt, neemt af en valt stil. Dan zie ik ze gehaast de eerste gevallenen oprapen, ze overeind sleuren, maar boevenwagens of ambulances zijn nergens te bekennen. Daarop volgt synchroon armengezwaai, steeds heftiger, en worden de gevallenen over de reling gegooid! Over de reling gegooid? En weer en weer en weer verdwijnt er nog een en nog een en nog een. Als verlamd bekijk ik de surrealistische scène en ik, ik weet niets beters te bedenken danl dat ik dit alles maar droom.
Zo totaal absurd als deze beelden overkomen wéét ik dat ik dit alles moet dromen! Van Sartre herinner ik me eenzelfde soort verbijstering gelezen te hebben, in La mort dans l’ame, in De Dood In Het Hart: ook daar op die brug had ik het gevoel in een scène te zijn aanbeland, met het gevoel 'maar' een acteur te zijn. Wat gerustgesteld ontspande ik mezelf een beetje, hoewel de pijn in beide benen alles behalve afnam. In shock, volop aan het ontkennen wat me overkwam.
De kracht van de menselijke geest ligt er blijkbaar in dat wanneer het allemaal echt te dol werd er een noodscenario voor in de plaats kwam: ik droomde dit maar, ik sliep en strakjes, wakker geschrokken, doe ik mijn bedlampje aan om even uit te puffen van deze al te levendige waanzin waarin ik verzeild ben geraakt. Helaas werd ik niet wakker toen lompe handen zich een weg graaiden door de stof van mijn kleren naar houvast. Zodra de vier handen stevig vlees en skelet voelden werd ik in een vloeiende beweging opgetild. Een getrokken wapenstok brak een stuk of wat botjes in mijn afwerende handen, een in leer verpakte vuist trof me bovenop een van mijn nu blinde ogen. En daar ging ik. Als in een echoput hoor ik de klootzakken “en van je ene, tweeje, drieje…” zingen…
Hola, toch alweer een beestje wat mijn arme lijf heeft gevonden! De toegang tot hun maaltjes vinden ze op plaatsen waar zich, al dan niet natuurlijke, in– of uitgangen bevinden. Het eerste wezen had via de kogelgaten enige hapjes weten te bemachtigen, nu voel ik iets in mijn mond wat niet alleen maar mijn tong is. Juist ja, en daaraan wordt geknabbeld: visje eet tong. Wat zat dat universum toch vol grappen en grollen: weer eens wat anders dan 'mens eet tong'. Mij, mij laat het allemaal koud, al zou een vlaag lauwwarm fabriekswater mijn arme lijf ongetwijfeld goed doen. Lieve hemel, wat is het koud hier! En donker! Ach, ik ben al blij dat mijn oren het doen. Zou de dood een amorfe vorm van denken zijn, een denkvorm die zich langzaam ontkoppelt van het lichaam, uit het hoofd.
Ja, eind jaren ’50 was de Parijse politieprefect Papon, Maurice Papon nog prefect van mijn provincie Constantine geweest. Dat maakte hem, zeer indirect, tot een oude bekende, want zijn toenmalige standplaats was mijn voormalige verblijfplaats. Al snel was gebleken hoe hard, taai, hoe nietsontziend deze man kon zijn. Het standrechtelijk executeren van 'verdachten' bleek zijn specialiteit te zijn en deze werden en plein publique uitgevoerd. De man was een menseneter, een vechtjas, een regelrechte psychopaat. Erger nog, een psychopaat in dienst van de Staat. Het kon nog erger, deze psychopaat had psychologie, rechten en sociologie gestudeerd. Vóór de Tweede Wereldoorlog had hij het tot adviseur van de Minister van Luchtmacht geschopt, om het ín de Tweede Wereldoorlog tot secretaris-generaal van onder andere de politie in de Prefectuur Bordeaux benoemd te worden. Bijna was dát de hoofdstad van Pétain's niet door de Duitsers bezette deel van Frankrijk geweest, ware het niet dat zij voor de stad Vichy hadden geopteerd; een naam om niet al te trots op te zijn vanwege het volop met de Nazi's collaborerende regime die met zich meedroeg.
Dat ik mijn studie aan de Sciences Po niet heb kunnen afmaken viel te wijten aan de nieuw ontstane politieke constellatie, welke aan het eind van de vijftiger jaren haar beslag had gekregen. Maar verliefd als ik geworden was op de arrondissementen 6 en 7 waarin Po’s meeste dependances gevestigd lagen wist ik het voor elkaar te krijgen mijn bescheiden onderkomen, zes hoog achter en zónder lift, te behouden. Met hangen en wurgen, dat spreekt voor zich; ik had mijn kamer met een paar ex-Po's opgedeeld die ook niet van wijken wilden weten. Was alles niet een kwestie van pompen of verzuipen geweest?! Ja, cynisme is klaarblijkelijk een levenskunst welke zelfs de doden onder ons uitkomst en relativering kon bieden; de laatste vraag aan mezelf viel met recht water onder de brug te noemen.
Voordat ik goed en wel klaar met grijnzen ben beginnen een paar als uit het niets oprukkende als…dan… redeneringen me een stevige hoofdpijn te bezorgen. Als ik nou maar eerder rechtsaf was gegaan, van de Seine af, dan… Als ik mijn collega Benaïssa nou maar gevolgd had, dan… Als ik nou maar een late avonddienst had moet draaien, dan… Oh, Aïsja, licht van mijn ogen, waar ben je!? Ik ben hier, mijn duifje, hier, ergens tussen Parijs en de Atlantische Oceaan in. Niets dan ellendige, koude donkerte. O, Aïsja, wat mis ik je amandel-vormige, donkerbruine ogen, dat gitzwarte, als een woeste waterval uitwaaierende haar, je matbeige getinte, gladde babyhuid, je peer-vormige borsten en honingzoete liefdessappen van je ene en je andere mond, grote God, wat mis ik al die hemelse lichamelijkheden. Zouden mijn verblinde, dode ogen nog kunnen huilen dan? Zo voelt het wel, maar omdat alles hieronder drijfnat is valt niet vast te stellen of ik écht huil nu.
Ik verman me en zie Sciences Po weer voor me, al tijden een van dé elitescholen van het land der Franken. Niet voor niets had het leerprogram een gerenommeerd Engels instituut voor ogen gestaan, de London School of Economics. Ironie van het lot, Maurice Papon was behalve een stadsgenoot ook nog een studiegenoot geweest. Toch hadden onze twee werelden niet verder uit elkaar kunnen liggen, en dan bedoel ik niet alleen qua leeftijdsverschil. Papon's oude heer was al een machtig en invloedrijk man, terwijl die van mij het tot niet verder dan, piepkleine, neringdoende had weten te brengen. Direct na zijn opleiding werd Papon’s carrière min of meer gekatapulteerd, die van mij werd halverwege mijn studie op eenzelfde snelle wijze in de kiem gesmoord. Indirect kwam dat door eenzelfde soort lieden als Papon, door lieden die ons land als Frans territorium, als 'La Douce France d’outre mer', als overzeese Franse provincie wensten te blijven zien.
Welbeschouwd was Europa juist daar groot mee geworden, met het beheer van alle overzeese provincies. Al even welbeschouwd vielen al die autonome, maar door gemeenschappelijke geografische afkomst aaneengesloten gebieden te bezien als een kalifaat zonder weerga. Europa, dat liep naar boven toe door tot het zowat de ijselijke Noordpool aanraakte. Linksaf doorliep het territorium, waren die communisten niet net zo blank als de kapitalisten, een tiental tijdzones totdat het eindelijk de havenstad Vladivostok bereikt had. Als je die naam letterlijk vertaalde kreeg je 'Beheers het Oosten'...Over what's in a name gesproken: ergens in het zuidelijk gelegen Kaukasus-gebergte hadden de Russen voor eenzelfde type benaming gekozen, Vladikavkaz. De beide Amerika's, inclusief het verbindingsstuk tussen beiden, waren door een cluster aan Europese volkeren van de 'Indianen' ontnomen. Verder waren de Fransen, Portugezen, Engelsen, Italianen, Duitsers en Hollanders al eeuwen bezig om flinke stukken van de resterende continenten onder hun kleurige vlaggen te scharen.
Als ik het wel heb heeft het visje zich niet ingehouden en alles daarbinnen netjes opgegeten. Dat gaat rap zo, wat hapjes van mijn ene been hier, een hele tong daar. Wie weet wat er van me overblijft na nog een paar honderd kilometers Seine? Mijn gedachten lijken al even zwart als de duisternis waarin ik verkeer. Al tijden heb ik geen bodem meer gevoeld, en ook de warmer aandoende stromingen behoren tot het verleden. Hoe lang dobber en drijf ik al onder de oppervlakte!? Amper uitgedacht voel ik bodem, en dan ervaar ik een zuiging, alsof er ergens water, veel water wordt ingenomen. Nee, dit was geen boot die op bougnouls viste, dit was iets anders.
Plotseling waait er een frisse wind langs mijn onderbenen, en niet veel later hoor ik stemmen. Weer ontevreden mannenstemmen, en weer zijn ze opgewonden: 'Merde, hadden ze ons niet eerder kunnen waarschuwen vanuit Parijs dan?', 'Zorg nou maar dat ze die pompen uitschakelen, wat heeft mopperen nou voor zin. Nog even en ze glippen het reservoir in!' Eventjes hoor ik niets, dan volgt een harder schreeuwen, iets wat klaarblijkelijk in een mobilofoon werd gebruld: 'Nom de Dieu, godverdomme, Kunnen jullie die waterinlaat sluiten én wel nu, graag!', 'Jaha, jaha, ze zijn er al!', 'Dat is zeker sneller dan verwacht, door de regenval van een paar dagen terug denk ik!'
De stilte die hier op volgt geeft me tijd om te gissen waar dit allemaal over ging, maar al snel had ik het begrepen: onze lichamen konden het drinkwater vervuilen. Het feit ze in ons zojuist in meervoud hadden aangeduid betekende dat ik niet alleen was. Kon ik ze maar zien, of nee, konden we maar met elkaar communiceren! Waarom zouden we dat eigenlijk niet kunnen: daar waar gedacht werd bestond vaak een mogelijkheid tot gedachtewisseling. Ineens voel ik een harde por, daarna het inscheuren van een stuk huid van mijn flank wat al te gemakkelijk loslaat. Een van de kerels aan de wal is bezig om mijn arme lijf weg te duwen, weg van de pompen, weg van het reservoir, wég, met grof geweld duwt hij me terug de rivier in.
Ik kom nog even bovendrijven en kan letterlijk verstaan wat ze elkaar toebrullen: 'Zo zeg, die vervloekte knaap zag er meer niet al te fris uit!'. 'Ach, Jean, dat doen die vervloekte zandhazen nooit!' En daarop begint het tuig nog te lachen, ja ze schateren het uit terwijl ik weer onder duik. Bezat ik de Franse identiteit en nog was én bleef ik een bougnoul, een zwartje. Maar was egalité, gelijkheid niet het middelste woord van het wereldberoemde trio?
Hoofdstuk 3: Tayeb Saidi-Sief

Jazeker, ik had me een paar jaar min of meer gelijk aan de Fransen gevoeld, al was dat vaak niet meer dan een zekere beleefdheid. En dan, lang niet al mijn medestudenten behaalden zulke goede punten: uit welbegrepen eigenbelang gedroegen ze zich amicaal. Pas nadat de studiebeurs onder me wegviel en mijn lichtbruine gezicht op straat en in cafe's steeds vaker weerzin en angst leek op te wekken was ook die droom ook aan duigen. Niks egalité! Aan de vroegere, wat bevreemde blikken, daar viel nog aan te wennen, al was het maar dat wij Frans-Algerijnen door de diaspora van een groep over de honderdduizend, vooral mannen, snel gemeengoed in de grote steden geworden waren.
De pied noirs zelf, d'outre mer geboren en getogen Fransen waren evengoed aan hún uittocht begonnen. Onze voormalige bazen werden buren die, al even berooid, ook in die grote steden samen klonterden. Wat deed het met de psyche als welwillende blikken van het ene op de andere dag vol walging kwamen te zitten? De schaterlachende kerels zojuist die mijn lijk ruw terug de rivier in hadden geduwd, wat haat en minacht ik ze! Als ik ze zou kunnen kelen dan deed ik het, zonder met maar één van mijn blinde ogen te knipperen. Ik, Abdel Ozouf, niet veel eerder als verlamd voor geweld en terreur, pas nu ik een gevaar voor de volksgezondheid ben voel ik me tot alles in staat!
Jazeker, het aan egalité vooraf gegane begrip liberté, vrijheid was waar het allemaal om draaide. De mate en kwaliteit van de algemene vrijheid kon gezien worden als een verzekeringspolis voor een algehele gelijkheid, feitelijk waren het twee aan elkaar gekoppelde waarborgen. Nadat Algerije in een strijdtoneel begon te veranderen werd het derde element, fraternité, de broederschap onderuit gehaald. Zonder vrijheid geen gelijkheid, en zonder gelijkheid geen broederschap. Wat had de trits toch veel voor de idealistische jongeling die ik ooit was betekend! Tegelijk lichtbaken én anker van hoop. En niet alleen maar dat, het waren juridisch verankerde lichtpunten. De artikelen 4 en 6 van de Déclaration des droits de l'Homme et du citoyen uit 1789 betroffen de eerste twee termen; het derde viel bijna te beschouwen als religieuze leidraad. Juist aan het vrijheidsbeginsel, inhoudende alles te kunnen doen zonder de anderen schade te berokkenen, hoe sprookjesachtig dit ook klonk, viel te werken, en wel door in de grondwet in gelijke behandeling voor allen, en dat zowel in beschermende als bestraffende zin, te voorzien. In theorie golden die rechten, en wel sinds op 10 december ‘48 het verdrag ingevolge de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in werking was getreden.
Jammer dat een theorie bij de praktijk aanbelandt vaak net even anders uitpakte. Maar misschien was dat de functie wel van een mooie theorie, niet meer dan een verbloeming van de bikkelharde praktijk. Ik ben niet de eerste die ervaren moest hoe leeg al deze waarborgen waren, en zou zeker niet de laatste zijn. Eerst waren mijn rechten gelijk aan die van de Fransen, daarna werden ze opgeschort, om tot slot abrupt zwijgen te worden gebracht. De vreemde buitelingen die ik aan het maken ben laten dat eens te meer blijken: bijna onophoudelijk vervolg ik een fantastische gymnastische oefening vol salto’s, flikflak’s en pirouettes.
Weer tot een simpel drijven vervallen trek ik mijn conclusies. Het was allemaal zo klaar als een klontje: ik studeerde niet meer aan de Sciences Po, ik werkte niet meer bij Citroën, ik at geen baguettes met olijven en ansjovis meer op mijn kamertje en ook demonstreerde ik niet meer voor ons eigen land, 'Vive l’Algérie!' scanderend met veel van mijn landloze landgenoten. Al helemaal droomde ik niet meer van een behouden thuiskomst, desnoods zonder politieke aspiraties maar met een bescheiden kapitaaltje om, net als mijn oude heer ergens een winkeltje te beginnen. Dat alles was ontaard in een nachtmerrie, want ik ben met een ding bezig, en dat is een onbekend aantal kilometers lang dood te zijn.
Dan, plotsklaps, een zachte, weke botsing. Dat was zeker geen vis, geen grote rat. Nee, het leek er een van ons te zijn... En weer vlijen onze lichamen zich tegen elkaar aan. Snel begin ik te praten, onder water, zonder tong. Hoewel ik weet dat ik niet kan praten bedenk ik de woorden die ik wil zeggen: 'Hé jij daar, hoe heet jij! Ben jij soms ook pardoes van een brug in de Seine gevallen? Ik ben Ozouf, Abdel Ozouf, uit Constantine! En jij?!'
Nu maar afwachten, want het weke voorwerp lijkt als stroop aan me vast te plakken. Al snel duurt het wachten me te lang. Nog een keer wil ik van ganser harte dat ik praat. Waarom zouden wij geen zenders en ontvangers kunnen zijn!? Radio’s doen niet veel anders dan verder geheel onhoorbare geluiden uit de lucht plukken! Dood onder water in de rondte buitelen zonder een noemenswaardige tong in een mond te hebben, niemand zou kunnen beweren dat dergelijke apparaten zich door dit soort belemmeringen van een verder functioneren dienden te onthouden.
'Hé daar, jij daar! Vuile bougnoul, vuil zwartje dat je er een bent, wakker worden! Mij hebben ze van de brug Saint-Michel af gegooid, van welke hebben ze jou erin gemieterd!', stuur ik wat uitdagende woorden de ether in.
'Van de Pont de Neuilly, en ik heet Tayeb. Mijn achternaam is me helaas even ontschoten…', beluister ik een stuk jongere stem als die van mij zelf. Ik schat de jonge man om en nabij de 20, maar van stomme verbazing weet ik even niets te zeggen: mijn hypothetische radiogedoe werkte! Ik, beschoten, verdronken, aangevreten en vooral heel erg dood, ik had zojuist de stem van een andere dode gehoord! Wat hadden die angstrillingen voor zin als ik het al zo verdomde koud had...
'En, hoe dood was jij toen je in deze rivier terecht kwam, Abdel?', is de bijna grappige tegenvraag waar mijn zeer nabije buurman mee op de proppen komt.
'Ha, ha!, da’s is een goede grap, Tayeb, hoe dood of ik nou was. Ik was springlevend toen ze mij overboord zetten. Even daarvoor hadden ze beide benen onder me vandaan geschoten. Verder leek het nodig om me net vóór de tewaterlating een beetje te maltraiteren. Benen aan gort, wat gebroken botjes in mijn handen, zo dood was ik. De Seine zelf heeft het klusje voor ze afgemaakt.', vertel ik hem.
'Maar is de Seine geen 100% Franse rivier dan?!', gokt de grappen-maker, en voor het eerst sinds ik overleden ben schiet ik in de lach. Wat een schitterend ongeluk, zo tegen Tayeb aan te botsen. Snel geef ik de jonge knaap de geografische gegevens zoals ik die onthouden heb, dat de Seine inderdaad een 100 % Franse rivier is, ontsproten aan het Plateau van Langres in de buurt van Dijon.
'Je klinkt als een heuse studiebol, Abdel, klopt dat?', is een volgende snuggere constatering van mijn reisgenoot.
'Tot voor kort, inderdaad, mijn beste Tayeb. Maar dat komt doordat de Franse regering het recentelijk noodzakelijk heeft gevonden om de studiefinanciering aan Frans-Algerijnen stop te zetten. Nee, ik ben, ik was arbeider in de Citroënfabriek, je weet wel, dat monster aan de Quai de Javel.'
'Over toeval gesproken! Na die stunt met onze studiebeurzen ben ik daar ook komen te werken!', geeft mijn reisgenoot enthousiast te kennen. 'Abdel, vriend, sinds ik je ontmoet ben ik meer over mezelf aan de weet gekomen dan vanaf het moment dat ik hals over kop in deze rivier terecht ben gekomen.'
'Zouden we niet achter die familienaam van je kunnen komen, Tayeb? Welke studie deed je, op welke afdeling werkte je! Wil je me zeggen dat je niet eens meer weet waar je oorspronkelijk vandaan kwam dan!’, ja, bijna als een mitrailleur vuur ik de vragen op mijn vriend af, om te bemerken dat een levendige, branderige nieuwsgierigheid bezit van me heeft genomen, ja, het is alsof er een sensatie van warmte in mijn borstkas begint te broeien.
'Abdel, laat ik beginnen je te vertellen dat ze een stuk van mijn hoofd mis, en wel het stuk wat ze er vanaf hebben geschoten. De kogel vloog er door mijn rechteroog in, om mijn hoofd via mijn linkeroor te verlaten. Ja, ik durf wel te stellen dat ik morsdood was toen zij mij in dit koude water smeten. Desalniettemin geloof ik vast en zeker dat ik ooit medicijnen studeerde. Ik zie mijn prachtige anatomieboek van Henry Gray zo voor me liggen. Let maar eens op: mijn kapot geschoten oogkas heeft de Latijnse benaming orbita meegekregen en mijn aan flarden hangende buitenoor auris externa.', vertelt Tayeb vrolijk. Na een kleine denkpauze ratelt hij verder: 'Bij Citroën kwam ik in een van de staalwalserijen te werken. Jammer, maar dat begrip zegt me niets: ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze me betaalden om rondjes op…'
Tot onze schrik hebben kleine stromingen zich tussen onze lijven in weten te wringen, en Tayeb vervolgt zijn verhaal pas nadat we weer stevig aan elkaar vastzitten: '…om rondjes op de werkvloer te dansen daar.'
Een statig walsen in die helse walserij, en dat in van die aftandse werkkloffie, hoe verzint hij het. Met de grootst mogelijke moeite weet ik een lachbui te onderdrukken. Zo leek de dood me zo erg nog niet, wat gezelschap onder de waterlijn deed wonderen.
'En, Abdel, had jij zelf wat te maken met de FLN, of demonstreerde je mee uit loyaliteit?', vraagt Tayeb, serieus geworden ineens.
'Nou, Tayeb, ik ben pas sinds eind '59 actief lid binnen de FLN , als dat is wat je bedoelde met je vraag. Achteraf bezien nogal dom van me te blijven geloven in een vreedzame oplossing. Te lang tijd heb ik gehoopt dat Algerije bij een en hetzelfde dekolonisatieproces kon aanhaken. Vorig jaar hebben zich, zoals je vast wel weet, in totaal zeventien Afrikaanse landen weten los weten te weken van hun voormalige kolonisatoren, waarvan de meeste vielen onder de Franse driekleur. Het tij leek zo mee te zitten! Straks worden we verdomme door een heel ander tij meegesleurd...', zei ik, maar help, wat klonk het staartje van mijn bekentenis morbide en triest.
Wijselijk laat Tayeb de laatste opmerking voor wat hij is. De jonge knaap nu nog toevoegen dat ik geweld nog steeds verafschuwde, dat ik bijvoorbeeld lange tijd Ghandi’s aanpak van de Engelsen in India als lichtend voorbeeld voor ogen had, ik heb er simpelweg de moed niet voor.
'Dat wij niet bij die groep landen zitten komt doordat er zoveel pied noirs bij ons thuis rondlopen.', zo geeft Tayeb me te kennen. 'Door de grote belangen die ze hebben opgebouwd voelen ze er weinig voor om hun spullen te pakken en te vertrekken! Neem al de vruchtbare grond die ze van onze voorouders beroofd hebben: ík zou ook blijven zitten waar ik zat. Woestijnzand is alles wat ze ons gelaten hebben! Dat maakt onze oorlog tot de enige mogelijkheid om ze te verdrijven.'
Nee, deze jongen was geen dommerik. Jammer dat geweld altijd meer geweld opriep, maar toch was strijd de enige manier. Alleen al wat de OAS, de Organisation Armée Secrète, het geheime leger dat grotendeels uit pied noirs bestond, ons aan leed berokkende maakte het doorvechten noodzakelijk. Door de ontstane geweldsspiraal, niet minder dan een bloederige patstelling, werden wij tweetjes, en de andere demonstranten die ze over de reling gegooid hadden, almaar verder in de richting van de Atlantische Oceaan opdreven.
Genoeg, genoeg daarover, en ik besluit hem simpelweg een geheel andere vraag te stellen: 'Zegt de naam Benaïssa je wellicht iets. Die werkt ook in een van de plaatwalserijen daar. Pakweg 40, getaand uiterlijk, harde kop, kettingroker, de zwaarste Gitanes, immer een fez op dat verder nogal kale hoofd. Ik heb veel met hem opgetrokken, ook de avond dat we…'
'O, mijn allerbeste Abdel!', gilt hij uit. 'Als ik het kón zou ik het doen: je een dikke zoen geven! Dank zij jou valt me mijn familienaam weer in! Ik zie die dikke Benaïssa zo voor me. Wel, ik heet Tayeb Saidi-Sief en mijn wortels liggen in Phillipeville. Dat maakt dat we zowat buren zijn geweest!' Nimmer heb ik iemand, laat staan een dode, gehoord die zo blij en opgelucht klonk: niet alleen de levenden hechten zwaar aan hun eigen identiteit, aan een persoonlijke achtergrond.
'Ai, geen wonder dat je zo vol vuur vóór de FLN lijkt te zijn.', zeg ik dan. 'Daar hebben de pied noirs de onzen er bij duizenden afgeslacht. Was dat nou in ‘55 of ’56? Een ronduit universele wet, Tayeb: geweld wordt altijd, bijna altijd met tegengeweld beantwoord, en maar wat vaak met een behoorlijke woekerrente.'
'Zoiets valt wel woekerrente te noemen, dacht ik. Een pied noir, een zwartvoet kostte er wel honderd van ons. Nogal wiedes dat de oorlog toen pas echt losbarstte!', foetert Tayeb, die wel lijkt te huilen van ingehouden woede.
'Ik beluister een diep verdriet in je, beste vriend. Laten we hopen dat de gesprekken aan de onderhandelingstafel snel worden hervat. Als dat wat ons is aangedaan maar geen remmende invloed op onze nabij komende zelfstandigheid heeft!', poog ik hem te troosten. 'Ach, alleen de allersterksten hebben hun vrijheid geweldloos weten te herwinnen! Jammer genoeg zijn mensen van het kaliber als dat van Mahatma Ghandi een zeldzaamheid. Ik wou dat we ons hier op Mekka konden richten, dan zouden we samen kunnen bidden, nietwaar, Tayeb?'
Op deze wens ontvang ik weerwoord noch antwoord, want zonder voortekenen worden we door een woeste werveling van watergeweld van elkaar losgerukt. 'Au revoir!', schreeuw ik nog, en gelukkig meen ik zowaar een echo te horen.
Hoofdstuk 4: Pandora’s box


Direct voorvoel ik dat me een flinke inzinking wacht als ik me nu niet sterk weet te houden. Voor alles zou ik blij en dankbaar moeten zijn deze Tayeb ontmoet te hebben, te mogen hebben. In de door ons allen zo verafschuwde dood is contact met andere doden mogelijk! Zo valt zijn ‘ontvallen’ als winst te beschouwen.
'Tayeb, vriend, ben je er nog...', maar nee, de vraag klinkt me niet krachtig, niet indringend genoeg. Ik verman me en vraag het nu met kracht, toch nog huiverig voor de stilte die ik verwacht: 'Tayeb, lieve Tayeb, mijn vriend, waar ben je?!'
Weer alleen buitel ik hals over kop in het donker, in de leegte, vol hoop hem nogmaals te ontmoeten. Of anders een andere pechvogel, want nooit eerder in mijn leven voelde het spreekwoord 'gedeelde smart is halve smart' zo waar, zo verschrikkelijk waar. Toch was die kans zeker aanwezig, nu wij beiden andere demonstranten over de reling hadden zien vliegen. Een feit was helaas onbesproken gebleven, zojuist: bijna alle slachtoffers in Tayeb's woonplaats betroffen pied noirs. De FLN-commandant van onze wilaya, onze regio, had besloten dat er vaart in de zaak diende te komen. Door provocatie wilde hij de strijd naar een ander niveau tillen; dus waagde hij het erop een knuppel in het hoenderhok te gooien. De Fransen hadden gereageerd zoals hij gehoopt had: de Gouverneur-generaal van Algerije, Jacques Soustelle kwam met uiterst repressieve maatregelen. Zijn opvolger Robert Lacoste, hier in de functie van Minister van Algerije, trok een hele kast vol met directieven open, waarmee het leger uitzonderlijke bevoegdheden kreeg toebedeeld. Of dat allemaal was wat die FLN-commandant voor ogen had gestaan betwijfelde ik.
Feitelijk gezien regeerde Lacoste per decreet, zo het door kolonisten gedomineerde Assemblee buitenspel zettend. Tot overmaat van ramp had de Franse Luchtmacht ergens in oktober ’56, mede door Lacoste’s inlichtingen, een Marokkaans vliegtuig in Tunesië tot landen weten te dwingen. Onder de passagiers hadden zich vier van de hoogste FLN-leiders bevonden, waaronder FLN's oprichter Ahmed Ben Bella. Dat voorval leidde weer tot een verharding tussen de overgebleven FLN-leiders. Al het onderlinge vechten, getouwtrek, gemanipuleer, met daarbij nog de vijandige houding van Frankrijk ten opzichte van President Nasser van Egypte wegens materiële en politieke steun aan de FLN leidde tot een verdere verzwakking van het bevrijdingsleger. Het enige lichtpunt tijdens de eerste oorlogsjaren was dat zowel de Arabische als de communistische landen binnen de Verenigde Naties hardnekkig voor een staakt het vuren bleven pleiten.
Ben ik nou enorm moe, of verglijd ik in een almaar ‘dodere toestand’. Een nóg dodere toestand, het moest allemaal niet veel gekker worden! En toch zou ik maar wat graag eventjes willen slapen. Hoe te slapen als je dood bent? Wensten wij ons de dood soms niet als een lange, aaneengesloten portie slaap voor te stellen. Een droomloos, leeg en daardoor eindeloos rustig voortkabbelend niets. De leegheid na de korte ontmoeting met Tayeb valt me erg zwaar, zoveel is zeker. Hoewel dit rijk der doden een oord is waar weliswaar gedacht en gecommuniceerd kon worden, in je uppie was de lol er vrij snel van af. En die kou, die wordt alleen maar erger. Van binnen voelt het stukken kouder aan dan winterse sneeuw, kouder dan bevroren water. Met de verbluffende hitte van onze woestijnen vers in het geheugen lijkt deze koude mij vele malen erger dan welke helse Chiliwinden ook! Vanwege het gelijknamige Zuid-Amerikaanse land prefereerde ik de Libische benaming is voor een en dezelfde ovenhete woestijnwind: de Ghibli.
Toch heeft de korte ontmoeting met de jonge Tayeb genoeg stof tot nadenken aangereikt. Hoe was het mogelijk dat de ene groep de rechten van een andere groep zo minachten kon. Het leek er veel op dat de vroege gebeurtenissen in Phillipeville een van Pandora’s dozen had geopend. Door haar aangeboren nieuwsgierigheid had Pandora Zeus' bevel om die níet te openen genegeerd; pas nadat alle kwaden op een na vervlogen waren had zij de doos weten af te sluiten, met alleen het kwaad met de naam 'hoop' er nog in. Wat was hoop dan maar een fata morgana? Hoe zou die ene FLN-commandant de loop der gebeurtenissen écht bevonden hebben: had die zijn hoop vervuld of juist het tegenovergestelde, zijn wanhoop aangewakkerd!?
Leek hoop niet op een diaprojector die onmogelijke vervullingen op al even onmogelijke wensen ergens in een nabije toekomst plaats liet nemen? Mijn enige hoop bestaat erin dat dit alles hier onder water maar een verschrikkelijk reëel aandoende droom is, om straks naast mijn lieftallige Aïsja wakker te worden, met het vrolijke gekibbel en gekissebis van onze twee jochies op de achtergrond. Ja, mijn ijdele hoop bestaat uit een samenstel van wanen, de waan dat ik leef, de illusie dat mijn vrouw beter is én als toetje de bekroning op een gefnuikte roeping, dat ik het doctoraat van Sciences Po op zak had.
De realiteit lag helaas verscholen in wat François Mitterand, voormalig minister van Binnenlandse Zaken na die eerste grote aanval van het FLN gemeld had. In zijn boude uitspraken lag de prille aanzet tot mijn hoogst persoonlijke einde; de wens van de Algerijnen op een bevrijd Algerije met een op democratische én islamitische leest gestoeld landsbestuur zou volgens hem alleen door onderhandelingen met de naam 'oorlog' tot stand kunnen worden gebracht. Laat dat nou zo'n beetje letterlijk zijn wat de Pruisische militaire strateeg Von Clausewitz veel eerder maar stukken duidelijker gestipuleerd had: 'oorlog is niet meer dan de voortzetting van politiek'.
Die eerste november '54, de dag die Toussaint Rouge oftewel Rode Allerheiligen is gaan heten, mocht de oorlog dan wel een feit zijn, ik zou later wel eens tot de nieuwe bestuurlijke elite gaan behoren! Hoe oud was ik toen, flink wat jonger dan de jonge Tayeb nu, zo schat ik. Alle punten op het lycee en de eerste twee jaar aan de universiteit waren van dien aard dat ik als allereerste Algerijn voor een studie op het prestigieuze Sciences Po werd voorgedragen. En daar, hier, eh, in Parijs bedoel ik, daar was ik, zoals dat heet, hard op weg geweest om summa cum laude af te zwaaien. Zo lang die droom heeft mogen duren waren mijn lieve ouders maar wat trots op en dus gelukkig met hun jongste zoon geweest…
Toch lag de kern van wat ik écht geestverheffend had gevonden in de politiek besloten. Volgens de antieke Atheners scherpten alleen stads-bewoners die actief in de samenleving stonden, die een directe stem in het publieke leven hadden, die 'politiek bedreven' het verstand en karakter. Kortom, men diende de polis, de stad oftewel de gemeen-schap als eenheid te dienen. Lag er geen fraai evolutionair denken in die oude gedachtegang besloten dan? Tegenover hen had je idiotai, idioten, zij die zich terugtrokken in hun eigen huis, binnen de eigen familie en hun eigen bezigheden, een menstype wat zich verder niet met de samenleving wenste te bemoeien. Wie wilde dat nou niet, door het politieke proces tegelijkertijd zichzelf en de eigen stad, het eigen land weten te verheffen!
Alsof Algerije, hulpeloos, ja, lamgeslagen in de touwen geen integere politici nodig had. Alsof het land aan de horizon, zonder uitzicht op een spoedige renovatie, geen vakkundige politici nodig had. En dat waren zij die het kaf van het koren, zij die het eigen belang van het algemene belang konden scheiden, waarbij die laatste altijd om voorrang schreeuwde; de noden van het volk wat in duisternis zat waren legio. In mijn ogen betroffen het ambten met immense verantwoordelijkheid: de komende garde zou, daar viel logischerwijze niet aan te tornen, volgens het door onze erfvijand gemunte motto liberté, egalité et fraternité moeten regeren wilde er ooit van een rechtvaardige samenleving sprake zijn. Geen sinecure, deze wens...
De in ’45 opgerichte Pan-Arabische Liga waarbij Algerije zich te zijner tijd zou gaan aansluiten leek een flinke stap voorwaarts. Helaas voorzie ik fundamentele problemen voortvloeiende uit de aard van dat verbond ontstaan. Deze Liga was niet meer dan een op culturele overeenkomst gebaseerde politieke organisatie, het Arabier zijn, en niet, zoals de Europese Raad of de Organisatie van Amerikaanse Staten, een geografische. Of er een hechte eenheid viel te creëren uit een club van 12 lidstaten die onderling zo verschilden voor wat betreft historische achtergrond, economische toestand en aantallen inwoners viel te betwijfelen. Het 'Arabier zijn' was geen garantie dat die gewenste eenheid er komen zou, eerder het tegenovergestelde.
Het is dan ook uitermate jammer dat de nagestreefde eenheid tot dusver een religieuze eenheid is, en niet meer dan dat. De politieke wil in de statuten was te vaag, te vrijblijvend en daardoor te ongericht. Neem de Europese Economische Gemeenschap die in ’58 bij verdrag was ontstaan: daarin waren economische doelen en politieke structuur duidelijk vast komen te liggen. Nogal verlaat, twee wereldoorlogen om precies te zijn, heeft een van de eerste voorstanders van dit type internationale samenwerking, mijn lievelingsschrijver en waarachtig pacifist Victor Hugo zijn zin gekregen.
Zoals altijd was de problematiek van het heden ingewikkelder dan zelfs een kennersblik deed vermoeden. Tot hoe ver moest je in het verleden graven om bij de wortel ervan uit te komen? Terug naar het begin van deze eeuw was zeker niet diep genoeg, hoewel daar een groot aantal interessante gebeurtenissen had plaatsgevonden. Vooral-eerst de blunder van de Ottomaanse Minister van Oorlog Enver Pasja die zich in augustus '14 op zuiver opportunistische grondslag achter de Duitsers schaarde, waardoor hij zich tegenover de strijdkrachten van het Triple Entente, te weten Rusland, Frankrijk en Engeland geplaatst zag. Alleen daardoor had Saoedi-Arabië zich uit het Ottomaanse Rijk los weten te wrikken.
Het merendeel van de daarvoor benodigde hand- en spandiensten was van de Britten afkomstig, die Saoedi-Arabië maar wat graag van hun overheersers wilden losweken Hun gedroomde bondgenoot, Hoessein ibn Ali, Sjarif van Mekka, moet van een koude kermis zijn thuisgekomen toen bleek dat Engeland en Frankrijk de rest van de Ottomaanse koek na de eerste wereldoorlog krachtens geheim verdrag vooral samen wensten op te delen. Klaarblijkelijk had deze Hoessein niet willen begrijpen dat er meerderen op de mooie oorlogsbuit aasden. Hoessein had zich tijdens WOI weliswaar achter de Centralen geschaard, maar dat maakte hem nog geen bondgenoot, en ook al was hij dat wel, dan nog duurde dit soort verbintenissen maar zo lang tot zich ergens een betere, slimmere of sluwere kandidaat aandiende.
Een forse salto achter- dan wel voorwaarts doet me uit mijn in trance verrichte denkwerk opschrikken. Wat zat ik nou te filosoferen, over vroeger maar liefst! Had ik verdomme geen betere dingen te doen, nader contact te zoeken met de anderen bijvoorbeeld. Zeker nu alle besef van tijd verdwenen is, zo geheel zonder dag- en nachtritme, zonder honger, slaap of wat dan, voor het zelfde geld zouden er reeds eeuwen verlopen kunnen zijn. Wie kan me verzekeren dat ik me nog onder water bevind, bijvoorbeeld. Die salto van zonet zou zich ook in de lucht, in het luchtledige, wát, in een voorportaal van hel of hemel kunnen hebben voorgedaan.
'Tayeb, verdomme, Ali, Hassan, Mustafa, ja, welke bougnoul, welk zwartje dan ook: horen jullie mij niet soms!?!', schreeuw ik met mijn dode, tongloze mond. Niets dan een hardnekkige radiostilte, zogezegd. Gezellig is anders, maar ik mocht simpelweg niet meer vergeten mijn SOS te blijven omroepen; Tayeb kon niet mijn eerste en gelijk mijn laatste ontmoeting zijn. Volgende keer beter, besluit ik optimistisch.
Insjallah dat de eerste scheuren in het British Empire nog verder zouden uitscheuren! Egypte, Zuid-Afrika, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland behoorden per slot al tot het verleden; Kenia, Rhodesië en anderen stonden te trappelen. Alles goed en wel, aan het einde van WOI waren de Britten al snel begonnen om volgens de beproefde verdeel-en-heersreceptuur datgene te bekokstoven wat hen het beste uitkwam: uiteindelijk was niet Hoessein ibn Ali maar Abdoel Aziz al Saoed de lachende derde, nadat hij, vele jaren later, en nogmaals met steun van de Britten, zichzelf tot koning van Saoedi-Arabië had kunnen en mogen uitroepen. Daarna had Engeland een koekje van eigen deeg geserveerd gekregen, en wel toen de Amerikaanse oliemaatschappijen er in ’38 met de olie en dus de buit vandoor gingen. Niets van dat alles mocht gebeuren met het nieuw op te bouwen Algerije!
Hoevelen fouten waren er niet begaan tijdens de euforie van het op eigen benen staan! Vrijgevochten landen hadden wel iets van kleine kleuters, zoveel als er gevallen, gestunteld en vermorst werd. In het vacuüm van net na de machtsoverdracht werden er om te beginnen vooral veel mensenlevens verspild. Iedereen zag zijn kans schoon om oude rekeningen te vereffenen, om, onder de paraplu van 'collaboratie met de erfvijand', hun vijanden af te straffen. Aan de lopende band werden er levens beëindigd, geruïneerd dan wel anderszins in het diepe gegooid. Filosoferend als nooit tevoren leek mijn dood zelf op een zijspoor te zijn geraakt: vreemd dat de dood na een tijdje zo, zo nietszeggend overkwam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Copyright © Victor Crebolder. Alle rechten voorbehouden.