|
Online winkel
 |
Internet,
het walhalla van de boekenverkoper. De hemel
voor de boekenkoper. En, als Google over 1.000
jaar nog bestaat, een heuse goudmijn voor studenten
literaire wetenschappen.
Het
hoofdportaal heet dan ook www.books.google.com,
u weet wel! De roman Donkerland ( de oude 2007-uitgave)
is er dan ook zo
te vinden.
Maar
dat leest alleen zo lastig; de roman is te te
koop op ondervermelde sites:
www.bruna.nl
www.bol.com
www.ako.nl
Verder kunt u de roman (2de herziene druk, 2008)
bestellen bij Gopher.
Dit
is de uitgever die i.s.m. Bruna het
'Geef Je Eigen Boek Uit' op poten heeft gezet.
Niet
alleen Albert Camus is zijn schrijverscarrière
in eigen beheer begonnen... |
Mise-en-Seine
Hoofdstuk 0 3 Bij leven en welzijn
Hoofdstuk 1 7 Tewaterlating
Hoofdstuk 2 12 Pompen of verzuipen
Hoofdstuk 3 19 Tayeb Saidi-Sief
Hoofdstuk 4 27 Pandora’s box
Hoofdstuk 5 34 Ferhat Abbas
Hoofdstuk 6 40 Mijn wil is wet…
Hoofdstuk 7 46 Khadija, Alliyah, Husni...
Hoofdstuk 8 53 Een huilkwartet
Hoofdstuk 9 60 Het Roelantslied
Hoofdstuk 10 68 …én Henri Alleg
Hoofdstuk 11 77 De buit onderling verdelen
Hoofdstuk 12 86 Jeanson's netwerk
Hoofdstuk 13 94 Is alles mektoub?
Hoofdstuk 14 103 Iels en Wahourt
Hoofdstuk 15 111 Abraham Louis Breguet
Hoofdstuk 16 119 Saadi en Zohra
Hoofdstuk 17 128 De geur van de roos
Hoofdstuk 18 135 Oh la la!
Hoofdstuk 19 143 l'Atlantique
Hoofdstuk 0: Bij leven en welzijn
Ook in levende lijve had ik de kleine, pijprokende
heer een wonder-baarlijke figuur om te zien gevonden.
Zijn gezicht was even lelijk als op de vele foto's
waarop hij afgebeeld stond. Het werd ontsierd door
strakke, doch vlezige lippen en een door nicotine
verkleurd, ongelijk gebit. Vanachter een hoornen bril
tuurden bolle, scheel kijkende ogen hongerig, ja,
gulzig en brutaal de danszaal in. Daarbij kwam nog
een bleke pafferigheid. Juist dit weinig flatteuze
personage leek vol magnetisme te zitten. Zelden heb
ik een energieker, boeiender en daardoor weer mooier
persoon ontmoet, een man die in staat leek om vanachter
dikke brillenglazen energiegolven door een ruimte
te stralen. Dé schrijver, dé activist,
dé verzetsheld én de onvermoeibare strijder
voor de goede zaak. De vrouw naast hem was in alles
het tegenover-gestelde, en dat zowel qua uitstraling
als verschijning: een statige dame, lang, slank én,
dat in het voorjaar, aardig gebruind. Haar gracieuze
handgebaren oogden charmant én hartstochtelijk,
aan het gezicht zelf viel duidelijk af te lezen dat
zij vroeger een schoonheid geweest moest zijn. Het
bonte gezelschap aan tafel hing dan ook aan hun lippen.
Bijna iedereen hierbinnen kende deze levende iconen:
Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir waren literaire
afgoden. Behalve zijn bijdragen voor het ondergrondse
tijdschrift Combat, Strijd, ontstaan tijdens WOII,
stond Sartre hoog aangeschreven binnen het het CNE,
het Nationale Schrijvers Comité. Zowel de man
als het comité zouden perfect als bliksemafleider
voor het FLN, het Front de Libération Nationale
kunnen dienen: een door hen onderschreven petitie,
beter nog, een door henzelf geschreven petitie in
de kranten kon veel voor ons betekenen. Via via had
ik de opdracht gekregen me vooral op de beroemde man
te richten. Trouwens, ook De Beauvoir bezat zo haar
waarde omdat zij zich eerder achter het internationale
pacifisme had geschaard. Verder had zij met haar boeken
bewezen totaal anders te kunnen denken.
Wetende dat beiden een van de beroemdste dansgelegenheden
van de lichtstad frequenteerden hoopte ik hen daar
te ontmoeten: het was een kwestie van geduld opdat
zij Le Bal Nègre zouden bezoeken. Hoewel er
in openbare gelegenheden als Café de Flore
meer kans was hen te ontmoeten voelde ik me daar te
bloot, te zichtbaar, te Algerijn kortom. Deze heerlijke
plek geleek een oase; hierbinnen nergens vreemde blikken
vanwege huidskleur, nergens gesis noch ander-soortige
beledigingen. Jazz en dans hadden het racisme er tot
vandaag aan toe tot zwijgen weten te brengen; het
was alweer ruim 30 jaar geleden sinds de sensatie
negerin met de naam Josephine Baker hier op de planken
stond te dansen. Met mijn ogen strak op de twee schrijvers
gericht was ik via een omweg op het roemruchte, lachende
duo toe geschuifeld, hopende op een zoete inval…
Hoewel de Russische bezetting van Hongarije van ’56
onze strijd een tijd lang naar de achtergrond had
gedrukt leek het of de recente verheviging van de
Algerijnse oorlog Parijs met militaire uniformen had
gevuld. De hoofdstedelijke politie onder het gezag
van prefect Maurice Papon ging zeer hardhandig met
Arabieren om, of zij nu uit Algerije dan wel uit onze
buurlanden afkomstig waren, ja, zelfs donker getinte
Italianen en Spanjaarden waren niet meer veilig op
straat. In het tijdschrift Les Temps modernes, Moderne
Tijden, een reeds in ’45 door de kleine man
en zijn muze opgerichte spreekbuis, verschenen meer
en meer artikelen waaruit bleek hoe barbaars er door
zowel het leger als de politie gemarteld werd. In
dat licht bezien was het puur geluk dat zij me niet
eerder gemaltraiteerd hadden.
Behalve de verregaande verruwing van de strijd kwam
het recht op studiebeurzen voor studenten van Frans-Algerijnse
afkomst op losse schroeven te staan. Simplistisch
gesteld bestond mijn studie politieke wetenschappen,
vandaar de afkorting van het instituut Sciences Po,
erin mijzelf levend te begraven in interessant, zij
het vaak wat ouder papier. De realiteit van de dag
echter wees uit dat wij allen uit vlees en bloed bestonden.
Over en weer vielen slachtoffers te betreuren, en
dat sinds '54. Pas door het definitieve verlies van
onze studiebeurzen werd ik ruw uit mijn lethargie
gewekt, om me eind '59, na eerdere avances te hebben
afgewimpeld, als actief lid bij het FLN aan te melden.
Bij hun met glazen en asbakken afgeladen tafel aangekomen
leek het ongepast om een van de twee zomaar op een
schouder te kloppen. Als een dom schaap stond ik ze
aan te staren. Gelukkig werd ik welwillend aangekeken.
Ongemakkelijk stak ik van wal: 'Madame, mon…mon...
monsieur, excusez moi. Mag ik me even aan u voorstellen?'
Een blik op hen voldeed om snel te vervolgen: 'Mijn
naam is Abdel Ozouf en ik ben een student aan Sciences
Po. Wij zijn op zoek naar mannen, eh, naar mannen
én vrouwen van eer, en ik geloof, het werk
van u beiden kennende, die tegenover mij te zien!'
Na dit onhandige compliment beproeft te hebben begon
het stel te glimlachen. Direct daarop nam Jean Paul
het woord: 'Mijn beste Abdel, ik hoef amper te raden
uit welke kolonie u afkomstig bent. Ik durf er wat
moois onder te verwedden dat uw mooie land precies
tussen onze voormalige koloniën Marokko en Tunesië
ingeklemd ligt. Heb ik gelijk of heb ik gelijk!'
Als jongeman van 24 had ik staan blozen als een op
kattenkwaad betrapt rotjoch. Dit scheen hen amper
op te vallen, en mevrouw De Beauvoir wilde graag weten
waar ik vandaan kwam: 'Wij tweetjes zijn volbloed
Parijzenaars. Waar ben jij geboren, Abdel?'
'Ik kom oorspronkelijk uit een dorpje nabij Constan…',
begon ik haar vraag te beantwoorden, om zonder de
rest te kunnen afwachten door Sartre te worden aangevuld:
'Nabij Constantine, de stad met een grote universiteit,
gelegen in de gelijknamige provincie. Van Algerije!
Dus! Student aan Sciences Po, toe maar! Om daar te
worden toegelaten dient men een genie te zijn…
U lijkt een van de uitverkorenen, of zien wij dat
verkeerd? Laten wij hopen dat deze regering niet alleen
maar op de korte termijn blijft doordenken.'
In verlegenheid gebracht schudde ik mijn hoofd, terwijl
een zin ten faveure van Sartre uitgesproken door generaal
De Gaulle zich aan me opdrong: 'Een Voltaire zet je
niet in de gevangenis.' Amper uitgedacht kreeg ík
een stevige schouderklop te verduren, om vervolgens
bij hen aan tafel genood te worden. Zodra ik bij hen
aangeschoven zat zag ik ze de volle dansvloer opnemen,
waarop zich een horde feestvierende mensen afkomstig
vanuit alle hoeken van de aarde bevond. Gezichten,
benen en armen, van lelieblank tot gitzwart. Ook de
muziek en het gelach drongen weer tot me door. Oorlog,
wélke oorlog, waar dan, vroeg ik me verbluft
af. Hoe vereerd ik me tussen het duo gezeten verder
ook gevoeld had, nu bezie ik alles vanuit een ander
perspectief. Om te beginnen zie ik helemaal niets
meer.
Hoofdstuk 1: Tewaterlating
Er ligt een lijk in de rivier, en dat lijk ben ik.
Vreemd dat al dit herfst-koude water nu al warmer
aanvoelt dan mijn razendsnel afkoelende lichaamstemperatuur.
Ook schijn ik stukken lichter te zijn dan zojuist,
eerder op de kade, net nadat beide benen onder me
vandaan geschoten waren. Nooit geweten dat die kleine
metalen ondingen zoveel gewicht met zich mee brachten.
Het vreemdste van alles is dat me alle tijd ter beschikking
lijkt te staan om na te denken.
Wat zouden de Franken bijvoorbeeld in dat aloude Roelantslied
met ‘la douce France’, het heerlijke Frankrijk,
bedoeld hebben? Het waren ongetwijfeld kogels van
eigen makelij die mijn huid hadden doorboord, om daarna
onderliggende spierweefsels en botten te ruïneren.
Toch doen deze omschrijvingen de pijn te kort. Die
horror verdween pas toen het Seine-water mijn longen
had gevuld; onder de waterlijn valt er niets weg te
hoesten. Puur instinctief was ik naar levensruimte
blijven happen, maar het enige wat me te deel viel
was meer duizeligheid. Niet veel later sloot zich
het laatste licht, wat vanwege de ingevallen avond
toch al schaars was. Al snel werd het verstrooide,
gelige licht van de lantaarns op de brug uitgedoofd.
Alles is zwart, en nog steeds valt er geen maagd te
ontwaren. Zouden ze allemaal gelogen hebben dan? Onze
eigen religieuze leiders én die van hier, die
van de anderen. Was ik soms vergeten waar ik me bevond
dan? Zonder de mij toegezegde maagden zou ik logischerwijze
daar zijn aanbeland waarmee zíj hún
ongelovigen terroriseerden. Maar nee, nergens dat
blakerende hellevuur wat mijn drijfnatte lichaam zou
doen smelten. Integendeel, een massieve kou lijkt
al mijn ledematen te bevriezen. Soms maak ik contact
met de rivierbodem, dan weer strijk ik langs substanties
die uit vergane plantenresten lijken te bestaan. Dat
ik wellicht merde, stront, aanraak maakt me misselijk.
Maar dit kon Wolfgang Goethe nooit met 'Jedem das
Seine' bedoeld hebben is een tweede, nog cynischer
gedachte die zich opdringt. Deze slagzin behoorde
evenzeer tot het curriculum van het lycee, het lyceum
waar ik als tienjarig jochie was toegelaten. Het Frans-koloniale
bestuur was niet op haar achterhoofd gevallen: aan
de slimmeriken onder de overwonnenen vergunden zij
een hogere opleiding. Behalve een flink aantal politieke
werken van vooral Franse signatuur hadden we er met
Machiavelli, Locke, Gracián en Von Clausewitz
kennis mogen maken; nu had ik zelfs waterdicht bewijs
ondervonden dat Carl’s oude oorlogsadagium nog
altijd opgeld deed.
Nadat mijn studiebeurs aan Sciences Po, dé
plek om het politieke métier, het politieke
vak te studeren definitief was komen te vervallen
had ik ons, dat willen zeggen ik mezelf en mijn vrouw
en onze tweeling d’outre mer met een fabrieksbaan
bij Citroën onderhouden. Ik durf nog even niet
aan mijn gezinnetje daar te denken, uit zelfbehoud,
moet je mij horen, uit zelfbehoud denk ik terug aan
de barrage van industriële herrie daar. Al snel
was me duidelijk geworden dat alle hoogdravende Droits
des Hommes nergens geldingskracht bezaten: ook hier
werden arbeiders als vee behandeld, en daarvan waren
wij Noord-Afrikanen het minst waardevolle. De gevaarlijkste
werkplekken werden door ons bemand, er stonden bijna
alleen maar Marokkanen, Tunesiërs en vooral veel
landgenoten bij de las-, stans-, frees- en walsmachines.
Hoe vaak handen én voeten niet aan de metalen
schaafsels en het linke materieel van de autofabriek
werden opengehaald! Wij mochten al blij zijn als er
vaseline voorhanden was; meestal smeerden wij onze
verwondingen dicht met machinevet. Toch beviel de
atmosfeer me daar stukken beter dan die bij mijn eerste
werkgever, Michélin. De allesoverheersende
stank van verbrand rubber maakte dat ik mijn lunch
maar niet kon binnenhouden. Na een maand flink interen
op mijn lichaamsvet hadden zowel leven en welzijn
van mijzelf als dat van mijn gezin voorrang geëist
op een ietsjes beter gevulde portemonnee.
Klootzakken, allemaal! Wég, wég met
die heerlijke croissants, mooie stadsparken en prachtige
promenades. Wég met die Eiffeltoren, dat Louvre
en de Sciences Po. Plotseling verschijnt het poppengezicht
van Brigitte Bardot voor mijn geestesoog zoals ze
in de film ‘Et Dieu créa la femme’
te zien was. Dan vlamt mijn woede weer op: wát
viel ons Algerijnen eigenlijk te verwijten? Wij wilden
ons eigen land én onze eigen waardigheid terug.
Met hoevelen wij die dag gedemonstreerd hadden wist
ik niet precies, wél dat het er duizenden geweest
moeten zijn. Enige tienduizenden, wellicht. Dus hadden
we de avondklok die Minister van Binnenlandse Zaken
Roger Frey eerder die maand had ingesteld overtreden!
Maar dan, hadden wij die avondklok niet eerder overtreden?
Zou Frey de drijvende kracht achter het drama van
deze 17de oktober geweest zijn? Ikzelf geloof er niet
in. Hoewel de facto de baas van de Parijse politieprefect
Maurice Papon lijkt die laatste de kwade genius te
zijn van dit tot in de puntjes georchestreerde staatsgeweld.
Juist deze man had me een tijd aan de zijlijn van
onze strijd weten te houden. Niet alleen wilde ik
mijn studie graag met schone handen afronden, ook
de angst wat hij eerder in Algerije had uitgespookt,
de angst over wat hij zijn politiemensen hier in Parijs
had toegezegd had weerhielden me tot voor kort om
actief strijd te leveren
Als gymnasiast had ik geleerd wat de antieke stad
Carthago welke in ons buurland Tunesië gelegen
had overkomen was. De waarheid lag verscholen achter
de aloude kreet “Cartago delenda est”
van senator Cato de Oudere. Dat Hannibal zelf al diep
in het stof gebeten had was de Romeinen niet genoeg
geweest: een halve eeuw later werd de grote havenstad
alsnog vernietigd. Zo had Cato's volhardende houding
in de Romeinse Senaat toch iets van een voorspelling
gekregen, nu hij al zijn spreekbeurten met het omineuze
“Overigens ben ik van mening dat de stad Carthago
vernietigd moet worden.” besloten had. Ja, Europa
kon een volhardende vijand zijn, wat onze eigen vooruitzichten
zo slecht maakte.
Ineens lijkt het erop of mijn lijf tot voedsel is
verworden. Zou dat een échte ratton, een echte
rat zijn? Als ik niet dood was zou het venijn waarmee
het wezentje in een bovenbeen aan het wroeten is me
zeker pijn doen. Ja, dit brutale diertje lust wel
wat aangeschoten wild. Verdwaald in de verlorenheid
schijnt alles mij hopeloos toe. Hoe moest mijn arme
Aïsja zichzelf én onze jongens Nourdinne
en Achmed onderhouden? Hopelijk konden zij zich voegen
bij de rest van een grotendeels failliet geraakte
familie. Als in twijfel ondergedompeld ga ik bij mezelf
te rade. Was ik geen Godvruchtig man geweest? Volgens
mij was ik een moslim die beleed wat anderen minder
beleden, zo niet in zijn geheel vermeden. Vanwege
de zoektocht naar medestanders, zoals naar Sartre
en De Beauvoir heb ik het zakaat, de steun aan behoeftigen
regelmatig met voeten getreden; Le Bal Nègre
behoorde nu eenmaal niet tot de goedkoopste uitgaansgelegenheden.
Verder heb ik me in weekenden wel eens aan de alcohol
gelaafd. Dat zelfs Mekka gaandeweg minder tot vijfdaags
richtpunt werd heeft me nog het meeste bezwaard. Hier,
in de dood, hier beneden, hier voel ik me onzekerder
over Uw bestaan dan toen ik nog in leven was.
Wat bestaat is Frankrijk, wat bestaat is Europa. En
wat óók bestaat is deze rivier, deze
rivier waarin warmer aandoende stromingen de kou eventjes
van me wegnemen. Wat óók bestaat zijn
trillingen! Trillingen van een aak…van een vrachtboot...
Dan tolt mijn lichaam herhaaldelijk om zijn as, het
moment waarop het diertje besluit om de maaltijd te
laten voor wat het is. De scheepsschroef stuwt mij
verder naar de oppervlakte.
Onder water valt weinig te beluisteren, maar nu hoor
ik toch echt het zware stampen van een dieselmotor!
Daarop ontwar ik een tweetal, nee, een drietal opgewonden
stemmen. Als in een koor zijn ze aan het schreeuwen:
'Een ratton, of nee, twee ratten, kom op, snel, snéller!',
'Hé, leg die boot nou eens stil, schiet nou
toch op!, 'Kom op, conard, klojo, haal binnen die
buit!' en 'Oeps, mis, putain, hoer!', 'Vite, snel,
pakken we die andere daar. Merde, schijt!' Inderdaad,
mis, want mijn lichaam glipt uit wat me een veel te
klein schepnet toeschijnt, om daarna door de razende
schoepen de diepte in te worden gejaagd.
Het raadsel van de dood wordt almaar groter. Aan de
oppervlakte zojuist heerste niets dan intens diepe
zwartheid, wat twee dingen kon betekenen: ofwel konden
die vervloekte rattenvangers in het donker zien ofwel
was ik stekeblind. Toch is zojuist gebleken dat mijn
oren wél functioneren, ja, en aan de toenemende
druk in mijn oren valt te concluderen dat ik steeds
verder de diepte in verdwijn. De immense pijn van
op de brug is verdwenen, maar wél voel ik een
vervloekte kou. Als ik niet echt zeker wist dat mijn
leventje gedaan was zou ik er behoorlijk bang van
worden.
Gelukkig is alles nog zo nieuw voor me dat de rol
van observator me enigszins geruststelt. Het probleem
'Allah' besluit ik even te laten voor wat het is;
zodra Hij zich kenbaar maakt heb ik me maar te schikken
naar Zijn Oordeel. Gelaten overdenk ik wat Sartre
ten tijde van zijn krijgsgevangenschap in WOII geschreven
had. Daarin voelde hij zich gereduceerd tot een “verschrikkelijke
onschuld, tot het ontbreken van verantwoordelijkheid.
Wij zijn niet verantwoordelijk voor ons verblijf hier;
wij zijn hier omdat we er niet uit kunnen. Wat een
rust voor onze geest!” Wel, als ik mezelf hier
als gevangene beschouwde klopte die eerste bewering,
maar die tweede amper.
Hoofdstuk 2: Pompen of verzuipen
Over de schaal van het gebeurde tijdens de demonstratie
valt weinig te zeggen. Een bloedbad in het centrum
van de Lichtstad, wie had dat ooit kunnen voorstellen?
Niet dat deze verschrikkelijke feiten het daglicht
ooit zouden aanschouwen. Dé man voor deze klus
zou wel eens een en dezelfde zijn als de man die eerder
een hoop Joden op weg naar de vernietigingskampen
van de Nazi's had geholpen. Het was niet minder onheilspellend
dat deze collaborateur, oud-student aan Sciences Po
maar liefst, zijn politieke carrière voorspoedig
had kunnen vervolgen. Papon, Papon, Papon, de man
die ik nog nooit gezien had speelde een belangrijke
rol in mijn leven, en in mijn dood.
Er viel bijvoorbeeld amper iets te rijmen aan het
ronduit groteske geweld van de 17de oktober ‘61
wat ons ten deel was gevallen. De FLN zat al maanden
met de Franse regering aan de onderhandelingstafel,
met maar één mogelijke uitkomst: Algerije
zou de vele voorgangers die al kolonie-af waren binnenkort
volgen. Wat François Mitterand, de voormalige
minister van binnenlandse zaken, ons toegezegd had
klopte helemaal, maar over de eventuele uitkomst van
die voorspelling had hij zich niet uitgelaten... Of
was het onrijmbare van dat geweld zo onrijmbaar nog
niet? Als eerste diende Parijs, hart én schatkamer
van het land, voor alles bewaart te blijven. Was deze
ramp de opmaat voor een laatste grote zuiveringsactie
en wenste Frankrijk ons zo alvast de eindafrekening
presenteren? Natuurlijk, ook wij waren allang geen
lieverdjes meer; een van de grootste smetten betrof
de guerre des cafes, de café-oorlogen die hier
werden uitgevochten maar puur en alleen een interne
Algerijnse machtsstrijd tussen twee rivalen betrof.
Dat alles mocht evenwel geen vrijbrief zijn om een
demonstratie in een bloedbad te laten ontaarden.
Na eerder die dag door enige honderden politiemensen,
gendarmerie en speciale oproerpolitie te zijn gevolgd
kwamen wij pas tussen Place de la République
en l'Opéra klem te zitten. Daarop hadden wij
ons schielijk teruggetrokken. Dat was vreemd, omdat
wij tot aan Place de la République vrijwel
ongestoord waren gebleven, hoewel ik niet weet of
dit een juiste voorstelling van zaken is omdat wij
vooraan niet wisten wat er achteraan allemaal plaatsvond.
Hoe het ook zij, tijdens de terugtocht, vlakbij bij
Cinema Rex, was het schieten begonnen. Daarop brak
een totale chaos uit, vanuit alle kelen weerklonk
panisch geschreeuw, iedere demonstrant had zichzelf
prooi geweten. De langs suizende dan wel afketsende
kogels, het gehamer van mitrailleurs, het ijlings
vertrappen van, stampen op, klauteren over eerder
gevallenen. Toen was ik aan de beurt: een eerste kogel
door mijn kuit, direct daarna volgde een onbekend
aantal door beide bovenbenen. Vallen, neerstorten,
om niet meer op te staan. Verbaasd over de loden zwaarheid
van de stalen kogels, verdwaasd wachten op meer pijn.
Dat gewicht en de pijn zijn verdwenen. Ik ben dood,
ja, zo dood als een meerdere malen beschoten, over
de reling van een Seine-brug gesmeten en daardoor
uiteindelijk verdronken demonstrant in Parijs maar
zijn kan. En weer zie ik ze aan weerskanten de Pont
Saint-Michel op komen draven. Blauwe, bijna zwarte
schimmen. Tientallen zo niet honderden gelaarsde hakken,
behoefde roofdieren, vlakbij hun gewonde en uitgeputte
prooien. De herrie van de met van ijzerbeslag voorziene
laarzen verzwakt, neemt af en valt stil. Dan zie ik
ze gehaast de eerste gevallenen oprapen, ze overeind
sleuren, maar boevenwagens of ambulances zijn nergens
te bekennen. Daarop volgt synchroon armengezwaai,
steeds heftiger, en worden de gevallenen over de reling
gegooid! Over de reling gegooid? En weer en weer en
weer verdwijnt er nog een en nog een en nog een. Als
verlamd bekijk ik de surrealistische scène
en ik, ik weet niets beters te bedenken danl dat ik
dit alles maar droom.
Zo totaal absurd als deze beelden overkomen wéét
ik dat ik dit alles moet dromen! Van Sartre herinner
ik me eenzelfde soort verbijstering gelezen te hebben,
in La mort dans l’ame, in De Dood In Het Hart:
ook daar op die brug had ik het gevoel in een scène
te zijn aanbeland, met het gevoel 'maar' een acteur
te zijn. Wat gerustgesteld ontspande ik mezelf een
beetje, hoewel de pijn in beide benen alles behalve
afnam. In shock, volop aan het ontkennen wat me overkwam.
De kracht van de menselijke geest ligt er blijkbaar
in dat wanneer het allemaal echt te dol werd er een
noodscenario voor in de plaats kwam: ik droomde dit
maar, ik sliep en strakjes, wakker geschrokken, doe
ik mijn bedlampje aan om even uit te puffen van deze
al te levendige waanzin waarin ik verzeild ben geraakt.
Helaas werd ik niet wakker toen lompe handen zich
een weg graaiden door de stof van mijn kleren naar
houvast. Zodra de vier handen stevig vlees en skelet
voelden werd ik in een vloeiende beweging opgetild.
Een getrokken wapenstok brak een stuk of wat botjes
in mijn afwerende handen, een in leer verpakte vuist
trof me bovenop een van mijn nu blinde ogen. En daar
ging ik. Als in een echoput hoor ik de klootzakken
“en van je ene, tweeje, drieje…”
zingen…
Hola, toch alweer een beestje wat mijn arme lijf heeft
gevonden! De toegang tot hun maaltjes vinden ze op
plaatsen waar zich, al dan niet natuurlijke, in–
of uitgangen bevinden. Het eerste wezen had via de
kogelgaten enige hapjes weten te bemachtigen, nu voel
ik iets in mijn mond wat niet alleen maar mijn tong
is. Juist ja, en daaraan wordt geknabbeld: visje eet
tong. Wat zat dat universum toch vol grappen en grollen:
weer eens wat anders dan 'mens eet tong'. Mij, mij
laat het allemaal koud, al zou een vlaag lauwwarm
fabriekswater mijn arme lijf ongetwijfeld goed doen.
Lieve hemel, wat is het koud hier! En donker! Ach,
ik ben al blij dat mijn oren het doen. Zou de dood
een amorfe vorm van denken zijn, een denkvorm die
zich langzaam ontkoppelt van het lichaam, uit het
hoofd.
Ja, eind jaren ’50 was de Parijse politieprefect
Papon, Maurice Papon nog prefect van mijn provincie
Constantine geweest. Dat maakte hem, zeer indirect,
tot een oude bekende, want zijn toenmalige standplaats
was mijn voormalige verblijfplaats. Al snel was gebleken
hoe hard, taai, hoe nietsontziend deze man kon zijn.
Het standrechtelijk executeren van 'verdachten' bleek
zijn specialiteit te zijn en deze werden en plein
publique uitgevoerd. De man was een menseneter, een
vechtjas, een regelrechte psychopaat. Erger nog, een
psychopaat in dienst van de Staat. Het kon nog erger,
deze psychopaat had psychologie, rechten en sociologie
gestudeerd. Vóór de Tweede Wereldoorlog
had hij het tot adviseur van de Minister van Luchtmacht
geschopt, om het ín de Tweede Wereldoorlog
tot secretaris-generaal van onder andere de politie
in de Prefectuur Bordeaux benoemd te worden. Bijna
was dát de hoofdstad van Pétain's niet
door de Duitsers bezette deel van Frankrijk geweest,
ware het niet dat zij voor de stad Vichy hadden geopteerd;
een naam om niet al te trots op te zijn vanwege het
volop met de Nazi's collaborerende regime die met
zich meedroeg.
Dat ik mijn studie aan de Sciences Po niet heb kunnen
afmaken viel te wijten aan de nieuw ontstane politieke
constellatie, welke aan het eind van de vijftiger
jaren haar beslag had gekregen. Maar verliefd als
ik geworden was op de arrondissementen 6 en 7 waarin
Po’s meeste dependances gevestigd lagen wist
ik het voor elkaar te krijgen mijn bescheiden onderkomen,
zes hoog achter en zónder lift, te behouden.
Met hangen en wurgen, dat spreekt voor zich; ik had
mijn kamer met een paar ex-Po's opgedeeld die ook
niet van wijken wilden weten. Was alles niet een kwestie
van pompen of verzuipen geweest?! Ja, cynisme is klaarblijkelijk
een levenskunst welke zelfs de doden onder ons uitkomst
en relativering kon bieden; de laatste vraag aan mezelf
viel met recht water onder de brug te noemen.
Voordat ik goed en wel klaar met grijnzen ben beginnen
een paar als uit het niets oprukkende als…dan…
redeneringen me een stevige hoofdpijn te bezorgen.
Als ik nou maar eerder rechtsaf was gegaan, van de
Seine af, dan… Als ik mijn collega Benaïssa
nou maar gevolgd had, dan… Als ik nou maar een
late avonddienst had moet draaien, dan… Oh,
Aïsja, licht van mijn ogen, waar ben je!? Ik
ben hier, mijn duifje, hier, ergens tussen Parijs
en de Atlantische Oceaan in. Niets dan ellendige,
koude donkerte. O, Aïsja, wat mis ik je amandel-vormige,
donkerbruine ogen, dat gitzwarte, als een woeste waterval
uitwaaierende haar, je matbeige getinte, gladde babyhuid,
je peer-vormige borsten en honingzoete liefdessappen
van je ene en je andere mond, grote God, wat mis ik
al die hemelse lichamelijkheden. Zouden mijn verblinde,
dode ogen nog kunnen huilen dan? Zo voelt het wel,
maar omdat alles hieronder drijfnat is valt niet vast
te stellen of ik écht huil nu.
Ik verman me en zie Sciences Po weer voor me, al tijden
een van dé elitescholen van het land der Franken.
Niet voor niets had het leerprogram een gerenommeerd
Engels instituut voor ogen gestaan, de London School
of Economics. Ironie van het lot, Maurice Papon was
behalve een stadsgenoot ook nog een studiegenoot geweest.
Toch hadden onze twee werelden niet verder uit elkaar
kunnen liggen, en dan bedoel ik niet alleen qua leeftijdsverschil.
Papon's oude heer was al een machtig en invloedrijk
man, terwijl die van mij het tot niet verder dan,
piepkleine, neringdoende had weten te brengen. Direct
na zijn opleiding werd Papon’s carrière
min of meer gekatapulteerd, die van mij werd halverwege
mijn studie op eenzelfde snelle wijze in de kiem gesmoord.
Indirect kwam dat door eenzelfde soort lieden als
Papon, door lieden die ons land als Frans territorium,
als 'La Douce France d’outre mer', als overzeese
Franse provincie wensten te blijven zien.
Welbeschouwd was Europa juist daar groot mee geworden,
met het beheer van alle overzeese provincies. Al even
welbeschouwd vielen al die autonome, maar door gemeenschappelijke
geografische afkomst aaneengesloten gebieden te bezien
als een kalifaat zonder weerga. Europa, dat liep naar
boven toe door tot het zowat de ijselijke Noordpool
aanraakte. Linksaf doorliep het territorium, waren
die communisten niet net zo blank als de kapitalisten,
een tiental tijdzones totdat het eindelijk de havenstad
Vladivostok bereikt had. Als je die naam letterlijk
vertaalde kreeg je 'Beheers het Oosten'...Over what's
in a name gesproken: ergens in het zuidelijk gelegen
Kaukasus-gebergte hadden de Russen voor eenzelfde
type benaming gekozen, Vladikavkaz. De beide Amerika's,
inclusief het verbindingsstuk tussen beiden, waren
door een cluster aan Europese volkeren van de 'Indianen'
ontnomen. Verder waren de Fransen, Portugezen, Engelsen,
Italianen, Duitsers en Hollanders al eeuwen bezig
om flinke stukken van de resterende continenten onder
hun kleurige vlaggen te scharen.
Als ik het wel heb heeft het visje zich niet ingehouden
en alles daarbinnen netjes opgegeten. Dat gaat rap
zo, wat hapjes van mijn ene been hier, een hele tong
daar. Wie weet wat er van me overblijft na nog een
paar honderd kilometers Seine? Mijn gedachten lijken
al even zwart als de duisternis waarin ik verkeer.
Al tijden heb ik geen bodem meer gevoeld, en ook de
warmer aandoende stromingen behoren tot het verleden.
Hoe lang dobber en drijf ik al onder de oppervlakte!?
Amper uitgedacht voel ik bodem, en dan ervaar ik een
zuiging, alsof er ergens water, veel water wordt ingenomen.
Nee, dit was geen boot die op bougnouls viste, dit
was iets anders.
Plotseling waait er een frisse wind langs mijn onderbenen,
en niet veel later hoor ik stemmen. Weer ontevreden
mannenstemmen, en weer zijn ze opgewonden: 'Merde,
hadden ze ons niet eerder kunnen waarschuwen vanuit
Parijs dan?', 'Zorg nou maar dat ze die pompen uitschakelen,
wat heeft mopperen nou voor zin. Nog even en ze glippen
het reservoir in!' Eventjes hoor ik niets, dan volgt
een harder schreeuwen, iets wat klaarblijkelijk in
een mobilofoon werd gebruld: 'Nom de Dieu, godverdomme,
Kunnen jullie die waterinlaat sluiten én wel
nu, graag!', 'Jaha, jaha, ze zijn er al!', 'Dat is
zeker sneller dan verwacht, door de regenval van een
paar dagen terug denk ik!'
De stilte die hier op volgt geeft me tijd om te gissen
waar dit allemaal over ging, maar al snel had ik het
begrepen: onze lichamen konden het drinkwater vervuilen.
Het feit ze in ons zojuist in meervoud hadden aangeduid
betekende dat ik niet alleen was. Kon ik ze maar zien,
of nee, konden we maar met elkaar communiceren! Waarom
zouden we dat eigenlijk niet kunnen: daar waar gedacht
werd bestond vaak een mogelijkheid tot gedachtewisseling.
Ineens voel ik een harde por, daarna het inscheuren
van een stuk huid van mijn flank wat al te gemakkelijk
loslaat. Een van de kerels aan de wal is bezig om
mijn arme lijf weg te duwen, weg van de pompen, weg
van het reservoir, wég, met grof geweld duwt
hij me terug de rivier in.
Ik kom nog even bovendrijven en kan letterlijk verstaan
wat ze elkaar toebrullen: 'Zo zeg, die vervloekte
knaap zag er meer niet al te fris uit!'. 'Ach, Jean,
dat doen die vervloekte zandhazen nooit!' En daarop
begint het tuig nog te lachen, ja ze schateren het
uit terwijl ik weer onder duik. Bezat ik de Franse
identiteit en nog was én bleef ik een bougnoul,
een zwartje. Maar was egalité, gelijkheid niet
het middelste woord van het wereldberoemde trio?
Hoofdstuk 3: Tayeb Saidi-Sief
Jazeker, ik had me een paar jaar min of meer gelijk
aan de Fransen gevoeld, al was dat vaak niet meer
dan een zekere beleefdheid. En dan, lang niet al mijn
medestudenten behaalden zulke goede punten: uit welbegrepen
eigenbelang gedroegen ze zich amicaal. Pas nadat de
studiebeurs onder me wegviel en mijn lichtbruine gezicht
op straat en in cafe's steeds vaker weerzin en angst
leek op te wekken was ook die droom ook aan duigen.
Niks egalité! Aan de vroegere, wat bevreemde
blikken, daar viel nog aan te wennen, al was het maar
dat wij Frans-Algerijnen door de diaspora van een
groep over de honderdduizend, vooral mannen, snel
gemeengoed in de grote steden geworden waren.
De pied noirs zelf, d'outre mer geboren en getogen
Fransen waren evengoed aan hún uittocht begonnen.
Onze voormalige bazen werden buren die, al even berooid,
ook in die grote steden samen klonterden. Wat deed
het met de psyche als welwillende blikken van het
ene op de andere dag vol walging kwamen te zitten?
De schaterlachende kerels zojuist die mijn lijk ruw
terug de rivier in hadden geduwd, wat haat en minacht
ik ze! Als ik ze zou kunnen kelen dan deed ik het,
zonder met maar één van mijn blinde
ogen te knipperen. Ik, Abdel Ozouf, niet veel eerder
als verlamd voor geweld en terreur, pas nu ik een
gevaar voor de volksgezondheid ben voel ik me tot
alles in staat!
Jazeker, het aan egalité vooraf gegane begrip
liberté, vrijheid was waar het allemaal om
draaide. De mate en kwaliteit van de algemene vrijheid
kon gezien worden als een verzekeringspolis voor een
algehele gelijkheid, feitelijk waren het twee aan
elkaar gekoppelde waarborgen. Nadat Algerije in een
strijdtoneel begon te veranderen werd het derde element,
fraternité, de broederschap onderuit gehaald.
Zonder vrijheid geen gelijkheid, en zonder gelijkheid
geen broederschap. Wat had de trits toch veel voor
de idealistische jongeling die ik ooit was betekend!
Tegelijk lichtbaken én anker van hoop. En niet
alleen maar dat, het waren juridisch verankerde lichtpunten.
De artikelen 4 en 6 van de Déclaration des
droits de l'Homme et du citoyen uit 1789 betroffen
de eerste twee termen; het derde viel bijna te beschouwen
als religieuze leidraad. Juist aan het vrijheidsbeginsel,
inhoudende alles te kunnen doen zonder de anderen
schade te berokkenen, hoe sprookjesachtig dit ook
klonk, viel te werken, en wel door in de grondwet
in gelijke behandeling voor allen, en dat zowel in
beschermende als bestraffende zin, te voorzien. In
theorie golden die rechten, en wel sinds op 10 december
‘48 het verdrag ingevolge de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens in werking was getreden.
Jammer dat een theorie bij de praktijk aanbelandt
vaak net even anders uitpakte. Maar misschien was
dat de functie wel van een mooie theorie, niet meer
dan een verbloeming van de bikkelharde praktijk. Ik
ben niet de eerste die ervaren moest hoe leeg al deze
waarborgen waren, en zou zeker niet de laatste zijn.
Eerst waren mijn rechten gelijk aan die van de Fransen,
daarna werden ze opgeschort, om tot slot abrupt zwijgen
te worden gebracht. De vreemde buitelingen die ik
aan het maken ben laten dat eens te meer blijken:
bijna onophoudelijk vervolg ik een fantastische gymnastische
oefening vol salto’s, flikflak’s en pirouettes.
Weer tot een simpel drijven vervallen trek ik mijn
conclusies. Het was allemaal zo klaar als een klontje:
ik studeerde niet meer aan de Sciences Po, ik werkte
niet meer bij Citroën, ik at geen baguettes met
olijven en ansjovis meer op mijn kamertje en ook demonstreerde
ik niet meer voor ons eigen land, 'Vive l’Algérie!'
scanderend met veel van mijn landloze landgenoten.
Al helemaal droomde ik niet meer van een behouden
thuiskomst, desnoods zonder politieke aspiraties maar
met een bescheiden kapitaaltje om, net als mijn oude
heer ergens een winkeltje te beginnen. Dat alles was
ontaard in een nachtmerrie, want ik ben met een ding
bezig, en dat is een onbekend aantal kilometers lang
dood te zijn.
Dan, plotsklaps, een zachte, weke botsing. Dat was
zeker geen vis, geen grote rat. Nee, het leek er een
van ons te zijn... En weer vlijen onze lichamen zich
tegen elkaar aan. Snel begin ik te praten, onder water,
zonder tong. Hoewel ik weet dat ik niet kan praten
bedenk ik de woorden die ik wil zeggen: 'Hé
jij daar, hoe heet jij! Ben jij soms ook pardoes van
een brug in de Seine gevallen? Ik ben Ozouf, Abdel
Ozouf, uit Constantine! En jij?!'
Nu maar afwachten, want het weke voorwerp lijkt als
stroop aan me vast te plakken. Al snel duurt het wachten
me te lang. Nog een keer wil ik van ganser harte dat
ik praat. Waarom zouden wij geen zenders en ontvangers
kunnen zijn!? Radio’s doen niet veel anders
dan verder geheel onhoorbare geluiden uit de lucht
plukken! Dood onder water in de rondte buitelen zonder
een noemenswaardige tong in een mond te hebben, niemand
zou kunnen beweren dat dergelijke apparaten zich door
dit soort belemmeringen van een verder functioneren
dienden te onthouden.
'Hé daar, jij daar! Vuile bougnoul, vuil zwartje
dat je er een bent, wakker worden! Mij hebben ze van
de brug Saint-Michel af gegooid, van welke hebben
ze jou erin gemieterd!', stuur ik wat uitdagende woorden
de ether in.
'Van de Pont de Neuilly, en ik heet Tayeb. Mijn achternaam
is me helaas even ontschoten…', beluister ik
een stuk jongere stem als die van mij zelf. Ik schat
de jonge man om en nabij de 20, maar van stomme verbazing
weet ik even niets te zeggen: mijn hypothetische radiogedoe
werkte! Ik, beschoten, verdronken, aangevreten en
vooral heel erg dood, ik had zojuist de stem van een
andere dode gehoord! Wat hadden die angstrillingen
voor zin als ik het al zo verdomde koud had...
'En, hoe dood was jij toen je in deze rivier terecht
kwam, Abdel?', is de bijna grappige tegenvraag waar
mijn zeer nabije buurman mee op de proppen komt.
'Ha, ha!, da’s is een goede grap, Tayeb, hoe
dood of ik nou was. Ik was springlevend toen ze mij
overboord zetten. Even daarvoor hadden ze beide benen
onder me vandaan geschoten. Verder leek het nodig
om me net vóór de tewaterlating een
beetje te maltraiteren. Benen aan gort, wat gebroken
botjes in mijn handen, zo dood was ik. De Seine zelf
heeft het klusje voor ze afgemaakt.', vertel ik hem.
'Maar is de Seine geen 100% Franse rivier dan?!',
gokt de grappen-maker, en voor het eerst sinds ik
overleden ben schiet ik in de lach. Wat een schitterend
ongeluk, zo tegen Tayeb aan te botsen. Snel geef ik
de jonge knaap de geografische gegevens zoals ik die
onthouden heb, dat de Seine inderdaad een 100 % Franse
rivier is, ontsproten aan het Plateau van Langres
in de buurt van Dijon.
'Je klinkt als een heuse studiebol, Abdel, klopt dat?',
is een volgende snuggere constatering van mijn reisgenoot.
'Tot voor kort, inderdaad, mijn beste Tayeb. Maar
dat komt doordat de Franse regering het recentelijk
noodzakelijk heeft gevonden om de studiefinanciering
aan Frans-Algerijnen stop te zetten. Nee, ik ben,
ik was arbeider in de Citroënfabriek, je weet
wel, dat monster aan de Quai de Javel.'
'Over toeval gesproken! Na die stunt met onze studiebeurzen
ben ik daar ook komen te werken!', geeft mijn reisgenoot
enthousiast te kennen. 'Abdel, vriend, sinds ik je
ontmoet ben ik meer over mezelf aan de weet gekomen
dan vanaf het moment dat ik hals over kop in deze
rivier terecht ben gekomen.'
'Zouden we niet achter die familienaam van je kunnen
komen, Tayeb? Welke studie deed je, op welke afdeling
werkte je! Wil je me zeggen dat je niet eens meer
weet waar je oorspronkelijk vandaan kwam dan!’,
ja, bijna als een mitrailleur vuur ik de vragen op
mijn vriend af, om te bemerken dat een levendige,
branderige nieuwsgierigheid bezit van me heeft genomen,
ja, het is alsof er een sensatie van warmte in mijn
borstkas begint te broeien.
'Abdel, laat ik beginnen je te vertellen dat ze een
stuk van mijn hoofd mis, en wel het stuk wat ze er
vanaf hebben geschoten. De kogel vloog er door mijn
rechteroog in, om mijn hoofd via mijn linkeroor te
verlaten. Ja, ik durf wel te stellen dat ik morsdood
was toen zij mij in dit koude water smeten. Desalniettemin
geloof ik vast en zeker dat ik ooit medicijnen studeerde.
Ik zie mijn prachtige anatomieboek van Henry Gray
zo voor me liggen. Let maar eens op: mijn kapot geschoten
oogkas heeft de Latijnse benaming orbita meegekregen
en mijn aan flarden hangende buitenoor auris externa.',
vertelt Tayeb vrolijk. Na een kleine denkpauze ratelt
hij verder: 'Bij Citroën kwam ik in een van de
staalwalserijen te werken. Jammer, maar dat begrip
zegt me niets: ik kan me nauwelijks voorstellen dat
ze me betaalden om rondjes op…'
Tot onze schrik hebben kleine stromingen zich tussen
onze lijven in weten te wringen, en Tayeb vervolgt
zijn verhaal pas nadat we weer stevig aan elkaar vastzitten:
'…om rondjes op de werkvloer te dansen daar.'
Een statig walsen in die helse walserij, en dat in
van die aftandse werkkloffie, hoe verzint hij het.
Met de grootst mogelijke moeite weet ik een lachbui
te onderdrukken. Zo leek de dood me zo erg nog niet,
wat gezelschap onder de waterlijn deed wonderen.
'En, Abdel, had jij zelf wat te maken met de FLN,
of demonstreerde je mee uit loyaliteit?', vraagt Tayeb,
serieus geworden ineens.
'Nou, Tayeb, ik ben pas sinds eind '59 actief lid
binnen de FLN , als dat is wat je bedoelde met je
vraag. Achteraf bezien nogal dom van me te blijven
geloven in een vreedzame oplossing. Te lang tijd heb
ik gehoopt dat Algerije bij een en hetzelfde dekolonisatieproces
kon aanhaken. Vorig jaar hebben zich, zoals je vast
wel weet, in totaal zeventien Afrikaanse landen weten
los weten te weken van hun voormalige kolonisatoren,
waarvan de meeste vielen onder de Franse driekleur.
Het tij leek zo mee te zitten! Straks worden we verdomme
door een heel ander tij meegesleurd...', zei ik, maar
help, wat klonk het staartje van mijn bekentenis morbide
en triest.
Wijselijk laat Tayeb de laatste opmerking voor wat
hij is. De jonge knaap nu nog toevoegen dat ik geweld
nog steeds verafschuwde, dat ik bijvoorbeeld lange
tijd Ghandi’s aanpak van de Engelsen in India
als lichtend voorbeeld voor ogen had, ik heb er simpelweg
de moed niet voor.
'Dat wij niet bij die groep landen zitten komt doordat
er zoveel pied noirs bij ons thuis rondlopen.', zo
geeft Tayeb me te kennen. 'Door de grote belangen
die ze hebben opgebouwd voelen ze er weinig voor om
hun spullen te pakken en te vertrekken! Neem al de
vruchtbare grond die ze van onze voorouders beroofd
hebben: ík zou ook blijven zitten waar ik zat.
Woestijnzand is alles wat ze ons gelaten hebben! Dat
maakt onze oorlog tot de enige mogelijkheid om ze
te verdrijven.'
Nee, deze jongen was geen dommerik. Jammer dat geweld
altijd meer geweld opriep, maar toch was strijd de
enige manier. Alleen al wat de OAS, de Organisation
Armée Secrète, het geheime leger dat
grotendeels uit pied noirs bestond, ons aan leed berokkende
maakte het doorvechten noodzakelijk. Door de ontstane
geweldsspiraal, niet minder dan een bloederige patstelling,
werden wij tweetjes, en de andere demonstranten die
ze over de reling gegooid hadden, almaar verder in
de richting van de Atlantische Oceaan opdreven.
Genoeg, genoeg daarover, en ik besluit hem simpelweg
een geheel andere vraag te stellen: 'Zegt de naam
Benaïssa je wellicht iets. Die werkt ook in een
van de plaatwalserijen daar. Pakweg 40, getaand uiterlijk,
harde kop, kettingroker, de zwaarste Gitanes, immer
een fez op dat verder nogal kale hoofd. Ik heb veel
met hem opgetrokken, ook de avond dat we…'
'O, mijn allerbeste Abdel!', gilt hij uit. 'Als ik
het kón zou ik het doen: je een dikke zoen
geven! Dank zij jou valt me mijn familienaam weer
in! Ik zie die dikke Benaïssa zo voor me. Wel,
ik heet Tayeb Saidi-Sief en mijn wortels liggen in
Phillipeville. Dat maakt dat we zowat buren zijn geweest!'
Nimmer heb ik iemand, laat staan een dode, gehoord
die zo blij en opgelucht klonk: niet alleen de levenden
hechten zwaar aan hun eigen identiteit, aan een persoonlijke
achtergrond.
'Ai, geen wonder dat je zo vol vuur vóór
de FLN lijkt te zijn.', zeg ik dan. 'Daar hebben de
pied noirs de onzen er bij duizenden afgeslacht. Was
dat nou in ‘55 of ’56? Een ronduit universele
wet, Tayeb: geweld wordt altijd, bijna altijd met
tegengeweld beantwoord, en maar wat vaak met een behoorlijke
woekerrente.'
'Zoiets valt wel woekerrente te noemen, dacht ik.
Een pied noir, een zwartvoet kostte er wel honderd
van ons. Nogal wiedes dat de oorlog toen pas echt
losbarstte!', foetert Tayeb, die wel lijkt te huilen
van ingehouden woede.
'Ik beluister een diep verdriet in je, beste vriend.
Laten we hopen dat de gesprekken aan de onderhandelingstafel
snel worden hervat. Als dat wat ons is aangedaan maar
geen remmende invloed op onze nabij komende zelfstandigheid
heeft!', poog ik hem te troosten. 'Ach, alleen de
allersterksten hebben hun vrijheid geweldloos weten
te herwinnen! Jammer genoeg zijn mensen van het kaliber
als dat van Mahatma Ghandi een zeldzaamheid. Ik wou
dat we ons hier op Mekka konden richten, dan zouden
we samen kunnen bidden, nietwaar, Tayeb?'
Op deze wens ontvang ik weerwoord noch antwoord, want
zonder voortekenen worden we door een woeste werveling
van watergeweld van elkaar losgerukt. 'Au revoir!',
schreeuw ik nog, en gelukkig meen ik zowaar een echo
te horen.
Hoofdstuk 4: Pandora’s box
Direct voorvoel ik dat me een flinke inzinking wacht
als ik me nu niet sterk weet te houden. Voor alles
zou ik blij en dankbaar moeten zijn deze Tayeb ontmoet
te hebben, te mogen hebben. In de door ons allen zo
verafschuwde dood is contact met andere doden mogelijk!
Zo valt zijn ‘ontvallen’ als winst te
beschouwen.
'Tayeb, vriend, ben je er nog...', maar nee, de vraag
klinkt me niet krachtig, niet indringend genoeg. Ik
verman me en vraag het nu met kracht, toch nog huiverig
voor de stilte die ik verwacht: 'Tayeb, lieve Tayeb,
mijn vriend, waar ben je?!'
Weer alleen buitel ik hals over kop in het donker,
in de leegte, vol hoop hem nogmaals te ontmoeten.
Of anders een andere pechvogel, want nooit eerder
in mijn leven voelde het spreekwoord 'gedeelde smart
is halve smart' zo waar, zo verschrikkelijk waar.
Toch was die kans zeker aanwezig, nu wij beiden andere
demonstranten over de reling hadden zien vliegen.
Een feit was helaas onbesproken gebleven, zojuist:
bijna alle slachtoffers in Tayeb's woonplaats betroffen
pied noirs. De FLN-commandant van onze wilaya, onze
regio, had besloten dat er vaart in de zaak diende
te komen. Door provocatie wilde hij de strijd naar
een ander niveau tillen; dus waagde hij het erop een
knuppel in het hoenderhok te gooien. De Fransen hadden
gereageerd zoals hij gehoopt had: de Gouverneur-generaal
van Algerije, Jacques Soustelle kwam met uiterst repressieve
maatregelen. Zijn opvolger Robert Lacoste, hier in
de functie van Minister van Algerije, trok een hele
kast vol met directieven open, waarmee het leger uitzonderlijke
bevoegdheden kreeg toebedeeld. Of dat allemaal was
wat die FLN-commandant voor ogen had gestaan betwijfelde
ik.
Feitelijk gezien regeerde Lacoste per decreet, zo
het door kolonisten gedomineerde Assemblee buitenspel
zettend. Tot overmaat van ramp had de Franse Luchtmacht
ergens in oktober ’56, mede door Lacoste’s
inlichtingen, een Marokkaans vliegtuig in Tunesië
tot landen weten te dwingen. Onder de passagiers hadden
zich vier van de hoogste FLN-leiders bevonden, waaronder
FLN's oprichter Ahmed Ben Bella. Dat voorval leidde
weer tot een verharding tussen de overgebleven FLN-leiders.
Al het onderlinge vechten, getouwtrek, gemanipuleer,
met daarbij nog de vijandige houding van Frankrijk
ten opzichte van President Nasser van Egypte wegens
materiële en politieke steun aan de FLN leidde
tot een verdere verzwakking van het bevrijdingsleger.
Het enige lichtpunt tijdens de eerste oorlogsjaren
was dat zowel de Arabische als de communistische landen
binnen de Verenigde Naties hardnekkig voor een staakt
het vuren bleven pleiten.
Ben ik nou enorm moe, of verglijd ik in een almaar
‘dodere toestand’. Een nóg dodere
toestand, het moest allemaal niet veel gekker worden!
En toch zou ik maar wat graag eventjes willen slapen.
Hoe te slapen als je dood bent? Wensten wij ons de
dood soms niet als een lange, aaneengesloten portie
slaap voor te stellen. Een droomloos, leeg en daardoor
eindeloos rustig voortkabbelend niets. De leegheid
na de korte ontmoeting met Tayeb valt me erg zwaar,
zoveel is zeker. Hoewel dit rijk der doden een oord
is waar weliswaar gedacht en gecommuniceerd kon worden,
in je uppie was de lol er vrij snel van af. En die
kou, die wordt alleen maar erger. Van binnen voelt
het stukken kouder aan dan winterse sneeuw, kouder
dan bevroren water. Met de verbluffende hitte van
onze woestijnen vers in het geheugen lijkt deze koude
mij vele malen erger dan welke helse Chiliwinden ook!
Vanwege het gelijknamige Zuid-Amerikaanse land prefereerde
ik de Libische benaming is voor een en dezelfde ovenhete
woestijnwind: de Ghibli.
Toch heeft de korte ontmoeting met de jonge Tayeb
genoeg stof tot nadenken aangereikt. Hoe was het mogelijk
dat de ene groep de rechten van een andere groep zo
minachten kon. Het leek er veel op dat de vroege gebeurtenissen
in Phillipeville een van Pandora’s dozen had
geopend. Door haar aangeboren nieuwsgierigheid had
Pandora Zeus' bevel om die níet te openen genegeerd;
pas nadat alle kwaden op een na vervlogen waren had
zij de doos weten af te sluiten, met alleen het kwaad
met de naam 'hoop' er nog in. Wat was hoop dan maar
een fata morgana? Hoe zou die ene FLN-commandant de
loop der gebeurtenissen écht bevonden hebben:
had die zijn hoop vervuld of juist het tegenovergestelde,
zijn wanhoop aangewakkerd!?
Leek hoop niet op een diaprojector die onmogelijke
vervullingen op al even onmogelijke wensen ergens
in een nabije toekomst plaats liet nemen? Mijn enige
hoop bestaat erin dat dit alles hier onder water maar
een verschrikkelijk reëel aandoende droom is,
om straks naast mijn lieftallige Aïsja wakker
te worden, met het vrolijke gekibbel en gekissebis
van onze twee jochies op de achtergrond. Ja, mijn
ijdele hoop bestaat uit een samenstel van wanen, de
waan dat ik leef, de illusie dat mijn vrouw beter
is én als toetje de bekroning op een gefnuikte
roeping, dat ik het doctoraat van Sciences Po op zak
had.
De realiteit lag helaas verscholen in wat François
Mitterand, voormalig minister van Binnenlandse Zaken
na die eerste grote aanval van het FLN gemeld had.
In zijn boude uitspraken lag de prille aanzet tot
mijn hoogst persoonlijke einde; de wens van de Algerijnen
op een bevrijd Algerije met een op democratische én
islamitische leest gestoeld landsbestuur zou volgens
hem alleen door onderhandelingen met de naam 'oorlog'
tot stand kunnen worden gebracht. Laat dat nou zo'n
beetje letterlijk zijn wat de Pruisische militaire
strateeg Von Clausewitz veel eerder maar stukken duidelijker
gestipuleerd had: 'oorlog is niet meer dan de voortzetting
van politiek'.
Die eerste november '54, de dag die Toussaint Rouge
oftewel Rode Allerheiligen is gaan heten, mocht de
oorlog dan wel een feit zijn, ik zou later wel eens
tot de nieuwe bestuurlijke elite gaan behoren! Hoe
oud was ik toen, flink wat jonger dan de jonge Tayeb
nu, zo schat ik. Alle punten op het lycee en de eerste
twee jaar aan de universiteit waren van dien aard
dat ik als allereerste Algerijn voor een studie op
het prestigieuze Sciences Po werd voorgedragen. En
daar, hier, eh, in Parijs bedoel ik, daar was ik,
zoals dat heet, hard op weg geweest om summa cum laude
af te zwaaien. Zo lang die droom heeft mogen duren
waren mijn lieve ouders maar wat trots op en dus gelukkig
met hun jongste zoon geweest…
Toch lag de kern van wat ik écht geestverheffend
had gevonden in de politiek besloten. Volgens de antieke
Atheners scherpten alleen stads-bewoners die actief
in de samenleving stonden, die een directe stem in
het publieke leven hadden, die 'politiek bedreven'
het verstand en karakter. Kortom, men diende de polis,
de stad oftewel de gemeen-schap als eenheid te dienen.
Lag er geen fraai evolutionair denken in die oude
gedachtegang besloten dan? Tegenover hen had je idiotai,
idioten, zij die zich terugtrokken in hun eigen huis,
binnen de eigen familie en hun eigen bezigheden, een
menstype wat zich verder niet met de samenleving wenste
te bemoeien. Wie wilde dat nou niet, door het politieke
proces tegelijkertijd zichzelf en de eigen stad, het
eigen land weten te verheffen!
Alsof Algerije, hulpeloos, ja, lamgeslagen in de touwen
geen integere politici nodig had. Alsof het land aan
de horizon, zonder uitzicht op een spoedige renovatie,
geen vakkundige politici nodig had. En dat waren zij
die het kaf van het koren, zij die het eigen belang
van het algemene belang konden scheiden, waarbij die
laatste altijd om voorrang schreeuwde; de noden van
het volk wat in duisternis zat waren legio. In mijn
ogen betroffen het ambten met immense verantwoordelijkheid:
de komende garde zou, daar viel logischerwijze niet
aan te tornen, volgens het door onze erfvijand gemunte
motto liberté, egalité et fraternité
moeten regeren wilde er ooit van een rechtvaardige
samenleving sprake zijn. Geen sinecure, deze wens...
De in ’45 opgerichte Pan-Arabische Liga waarbij
Algerije zich te zijner tijd zou gaan aansluiten leek
een flinke stap voorwaarts. Helaas voorzie ik fundamentele
problemen voortvloeiende uit de aard van dat verbond
ontstaan. Deze Liga was niet meer dan een op culturele
overeenkomst gebaseerde politieke organisatie, het
Arabier zijn, en niet, zoals de Europese Raad of de
Organisatie van Amerikaanse Staten, een geografische.
Of er een hechte eenheid viel te creëren uit
een club van 12 lidstaten die onderling zo verschilden
voor wat betreft historische achtergrond, economische
toestand en aantallen inwoners viel te betwijfelen.
Het 'Arabier zijn' was geen garantie dat die gewenste
eenheid er komen zou, eerder het tegenovergestelde.
Het is dan ook uitermate jammer dat de nagestreefde
eenheid tot dusver een religieuze eenheid is, en niet
meer dan dat. De politieke wil in de statuten was
te vaag, te vrijblijvend en daardoor te ongericht.
Neem de Europese Economische Gemeenschap die in ’58
bij verdrag was ontstaan: daarin waren economische
doelen en politieke structuur duidelijk vast komen
te liggen. Nogal verlaat, twee wereldoorlogen om precies
te zijn, heeft een van de eerste voorstanders van
dit type internationale samenwerking, mijn lievelingsschrijver
en waarachtig pacifist Victor Hugo zijn zin gekregen.
Zoals altijd was de problematiek van het heden ingewikkelder
dan zelfs een kennersblik deed vermoeden. Tot hoe
ver moest je in het verleden graven om bij de wortel
ervan uit te komen? Terug naar het begin van deze
eeuw was zeker niet diep genoeg, hoewel daar een groot
aantal interessante gebeurtenissen had plaatsgevonden.
Vooral-eerst de blunder van de Ottomaanse Minister
van Oorlog Enver Pasja die zich in augustus '14 op
zuiver opportunistische grondslag achter de Duitsers
schaarde, waardoor hij zich tegenover de strijdkrachten
van het Triple Entente, te weten Rusland, Frankrijk
en Engeland geplaatst zag. Alleen daardoor had Saoedi-Arabië
zich uit het Ottomaanse Rijk los weten te wrikken.
Het merendeel van de daarvoor benodigde hand- en spandiensten
was van de Britten afkomstig, die Saoedi-Arabië
maar wat graag van hun overheersers wilden losweken
Hun gedroomde bondgenoot, Hoessein ibn Ali, Sjarif
van Mekka, moet van een koude kermis zijn thuisgekomen
toen bleek dat Engeland en Frankrijk de rest van de
Ottomaanse koek na de eerste wereldoorlog krachtens
geheim verdrag vooral samen wensten op te delen. Klaarblijkelijk
had deze Hoessein niet willen begrijpen dat er meerderen
op de mooie oorlogsbuit aasden. Hoessein had zich
tijdens WOI weliswaar achter de Centralen geschaard,
maar dat maakte hem nog geen bondgenoot, en ook al
was hij dat wel, dan nog duurde dit soort verbintenissen
maar zo lang tot zich ergens een betere, slimmere
of sluwere kandidaat aandiende.
Een forse salto achter- dan wel voorwaarts doet me
uit mijn in trance verrichte denkwerk opschrikken.
Wat zat ik nou te filosoferen, over vroeger maar liefst!
Had ik verdomme geen betere dingen te doen, nader
contact te zoeken met de anderen bijvoorbeeld. Zeker
nu alle besef van tijd verdwenen is, zo geheel zonder
dag- en nachtritme, zonder honger, slaap of wat dan,
voor het zelfde geld zouden er reeds eeuwen verlopen
kunnen zijn. Wie kan me verzekeren dat ik me nog onder
water bevind, bijvoorbeeld. Die salto van zonet zou
zich ook in de lucht, in het luchtledige, wát,
in een voorportaal van hel of hemel kunnen hebben
voorgedaan.
'Tayeb, verdomme, Ali, Hassan, Mustafa, ja, welke
bougnoul, welk zwartje dan ook: horen jullie mij niet
soms!?!', schreeuw ik met mijn dode, tongloze mond.
Niets dan een hardnekkige radiostilte, zogezegd. Gezellig
is anders, maar ik mocht simpelweg niet meer vergeten
mijn SOS te blijven omroepen; Tayeb kon niet mijn
eerste en gelijk mijn laatste ontmoeting zijn. Volgende
keer beter, besluit ik optimistisch.
Insjallah dat de eerste scheuren in het British Empire
nog verder zouden uitscheuren! Egypte, Zuid-Afrika,
Canada, Australië en Nieuw-Zeeland behoorden
per slot al tot het verleden; Kenia, Rhodesië
en anderen stonden te trappelen. Alles goed en wel,
aan het einde van WOI waren de Britten al snel begonnen
om volgens de beproefde verdeel-en-heersreceptuur
datgene te bekokstoven wat hen het beste uitkwam:
uiteindelijk was niet Hoessein ibn Ali maar Abdoel
Aziz al Saoed de lachende derde, nadat hij, vele jaren
later, en nogmaals met steun van de Britten, zichzelf
tot koning van Saoedi-Arabië had kunnen en mogen
uitroepen. Daarna had Engeland een koekje van eigen
deeg geserveerd gekregen, en wel toen de Amerikaanse
oliemaatschappijen er in ’38 met de olie en
dus de buit vandoor gingen. Niets van dat alles mocht
gebeuren met het nieuw op te bouwen Algerije!
Hoevelen fouten waren er niet begaan tijdens de euforie
van het op eigen benen staan! Vrijgevochten landen
hadden wel iets van kleine kleuters, zoveel als er
gevallen, gestunteld en vermorst werd. In het vacuüm
van net na de machtsoverdracht werden er om te beginnen
vooral veel mensenlevens verspild. Iedereen zag zijn
kans schoon om oude rekeningen te vereffenen, om,
onder de paraplu van 'collaboratie met de erfvijand',
hun vijanden af te straffen. Aan de lopende band werden
er levens beëindigd, geruïneerd dan wel
anderszins in het diepe gegooid. Filosoferend als
nooit tevoren leek mijn dood zelf op een zijspoor
te zijn geraakt: vreemd dat de dood na een tijdje
zo, zo nietszeggend overkwam.
|